Werkloosheid, vrijwilligheid en vervreemding

Demonstratie tegen dwangarbeid in Amsterdam, 16 september 2014 (Beeld: Tomme Geraedts).
12 februari 2015

Nederland heeft te maken met een hoge werkloosheid. Wie wel een baan heeft, moet dit werk vaak onder hogere druk en slechtere omstandigheden doen. Daarbij is steeds meer publiek werk ‘vrijwillig’ geworden en is er een disciplinerende bijstandsindustrie opgetuigd die werklozen tot onbetaalde arbeid dwingt. Jeroen van der Starre schetst de economische achtergronden en sociale implicaties van dit beleid.

Sinds het uitbreken van de crisis is de werkloosheid in Nederland stevig opgelopen. Sinds dit jaar zijn werklozen verplicht om te participeren. Op gemeenteniveau is beleid ontwikkeld om de kosten van de bijstand te beperken en werklozen op verschillende manieren in te zetten. Van links tot rechts wordt enerzijds ingezet op gedwongen onbetaald werk voor werklozen en anderzijds subsidie aan werkgevers om tijdelijk personeel aan te nemen.

In Amsterdam heeft SP-wethouder Vliegenthart een plan gepresenteerd om werklozen onbetaald leerwerkstages te laten lopen én zogenaamde ‘perspectiefbanen’ te creëren. Dat laatste komt neer op een soort Melkertbanen waarbij de gemeente een (aanzienlijk) deel van de loonkosten voor werkgevers betaalt. Het Amsterdamse ‘SP-geluid’ is daarmee nauwelijks te onderscheiden van het beleid van andere gemeenten op dit punt. Het gaat ervan uit dat werklozen ongeschikt zijn om te werken en werkgevers gecompenseerd moeten worden – werkloosheid wordt dus gezien als de schuld van de werkloze.

Werkloosheid

Werkloosheid is een gegeven in elke kapitalistische samenleving. Door technologische ontwikkeling of crisis produceert het systeem een groep ‘overtollige’ arbeiders die het niet (langer) winstgevend kan gebruiken. Zo staan in Rotterdam momenteel de banen van 500 – 1000 havenwerkers op de tocht als gevolg van de opening van sterk geautomatiseerde terminals op de Tweede Maasvlakte.

Op die manier ontstaat een ‘arbeidsreserve’, zoals Marx het noemde: een groep werklozen die ingezet kunnen worden als er in een andere sector ineens een toenemende vraag naar personeel ontstaat. Omdat kapitalisme zich schoksgewijs en chaotisch ontwikkelt, is het van belang dat dit ‘arbeidsreserveleger’ op peil wordt gehouden.

Werkgevers hebben om nog een tweede reden belang bij werkloosheid. Hoe meer beschikbare arbeidskrachten er zijn, hoe meer de druk op het werkende deel van de arbeidersklasse kan worden opgevoerd om verslechteringen te accepteren. Als de baas voor jou ‘tien anderen’ heeft, denk je immers wel drie keer na voordat je overwerk of een loonsverlaging weigert. Werkloosheid is daarmee een wapen dat stelselmatig wordt ingezet om de rechten van werkenden af te breken.

In de woorden van Marx: ‘De overmatige arbeid van het werkende deel van de arbeidersklasse doet de rijen van haar reserve aanzwellen, terwijl omgekeerd de grotere druk, die de laatsten door hun concurrentie uitoefenen op de eersten, de werkende arbeiders, dwingt tot overmatige arbeid en tot onderwerping aan de eisen van het kapitaal.’1

Aangezien lage lonen van centraal belang zijn voor de concurrentiepositie op de wereldmarkt en voor het vergroten van de export is het op peil houden van de werkloosheid een centraal onderdeel van het economisch beleid van kapitalistische landen. Dit is duidelijk zichtbaar in het arbeidsmarktbeleid van de huidige en voorgaande regeringen.

Een generatie geleden was het bijvoorbeeld nog heel normaal om ruim voor je zestigste te stoppen met werken, terwijl de pensioenleeftijd nu naar 67 en verder wordt opgetrokken. Het aantrekken van arbeiders uit het buitenland is een andere methode die wordt ingezet om werkloosheid te bestendigen

Momenteel is de werkloosheid veel hoger dan ‘normaal’, als gevolg van de crisis en bezuinigingen op bijvoorbeeld de zorg. Werkgevers investeren nauwelijks, omdat ze weinig mogelijkheden zien om hier winst op te maken. In plaats daarvan worden lonen verlaagd (‘gematigd’), de werkdruk verhoogd en de rechten van werkenden uitgekleed.

Volgens onderzoek van TNO en CBS werkt meer dan een kwart van de beroepsbevolking structureel over en heeft ruim 13 procent te maken met een burn-out.2 Dat dit voorkomt in een tijd van hoge werkloosheid is echter verre van paradoxaal. Zoals Marx stelt: ‘Hoe minder zaken er worden gedaan, des te hoger moet de winst op de afgesloten zaken zijn.’3

Het overgrote deel van de bevolking is overgeleverd aan de grillen van de markt en de wensen van hun werkgever, als ze die hebben. De crisis maakt deze afhankelijkheid des te groter. Onze levens worden in steeds belangrijker mate bepaald door de anonieme macht van de markt.

Aangezien ‘de economie’ steeds meer synoniem is geworden voor de maatschappij als zodanig heeft werkloosheid niet alleen financieel, maar ook moreel en psychisch grote gevolgen. Je baan bepaalt immers in grote mate wie je bent, waardoor werkloosheid in veel gevallen als een verlies van identiteit wordt gevoeld. Mensen die werkloos raken, voelen zich vaak nutteloos, komen in een sociaal isolement terecht en hebben in veel gevallen te maken met depressie en stress. Ook plegen werklozen veel vaker zelfmoord.

De hoge werkloosheid en het overgeleverd zijn aan de marktwerking hebben dus ingrijpende negatieve gevolgen voor zowel werkenden als werklozen. Maar tegelijkertijd is werk een menselijke behoefte. Werken is ook een manier waarop we onszelf nuttig maken voor anderen, invloed uitoefenen op onze omgeving en hoe we ons leven vormgeven. De vermarkting van de samenleving die het wezen van het kapitalisme uitmaakt, verandert werk echter in iets dat onvrijwillig is en waarop we zelf nauwelijks invloed hebben.

‘Tegenprestatie’

Wie werkloos raakt moet tegenwoordig ‘iets terugdoen’ voor zijn of haar uitkering. De aanname is dat het de ‘luie’ werkloze is die ‘schuldig’ is aan zijn situatie. Dat werkloosheid stelselmatig wordt gestimuleerd, blijft gemakshalve buiten beschouwing. Politici spreken dan ook graag over mensen die ‘thuis op de bank zitten’.

Liever nog spreken ze over criminelen. Al jarenlang wordt stemming gemaakt over uitkeringsfraude. Cijfers laten zien dat die nauwelijks bestaat: in Nederland wordt jaarlijks minimaal 11 miljard euro aan fraude gepleegd, uitkeringsfraude komt neer op 153 miljoen – ruim 1 procent. Daarbij komt dat – zoals recent onderzoek van de Nationale Ombudsman laat zien – het overgrote deel van de zogenaamde fraudeurs, zo’n 70 procent, helemaal geen fraude pleegt, maar door ‘vergissing’ of ‘overmacht’ niet kan voldoen aan de verantwoordingsdrang van uitkeringsinstanties. Het kan ‘iedereen overkomen dat hij beboet wordt op grond van de Fraudewet.’

De harde aanpak van fraude heeft geen enkel positief effect op het aanpakken van fraudeurs, maar het leidt wel tot het kunstmatig opkrikken van fraudecijfers en tot bijstandsreductie. De behandeling van, en beeldvorming omtrent uitkeringsgerechtigden sluit naadloos aan bij de neoklassieke economische doctrine die zegt dat ‘gedwongen werkloosheid’ niet kan bestaan: de vrije markt lost alles op, dus ook werkloosheid. Wie toch werkloos is, is hier dus zelf schuldig aan. In sommige gevallen moeten werklozen daarom hetzelfde werk doen als criminelen met een taakstraf.

Vrijwilligerswerk

Echt vrijwilligerswerk is natuurlijk heel iets anders dan dwangarbeid als straf. Het gaat om maatschappelijk nuttig werk dat mensen verrichten omdat ze het leuk of belangrijk vinden. Dit werk is in de meeste gevallen zijn eigen beloning. Het is bij uitstek onvervreemde arbeid: er is geen sprake van dwang, maar van intrinsieke motivatie. Dat Nederland 5,5 miljoen vrijwilligers kent is een bewijs van het feit dat werk – voor zover het een vrije uitdrukking is – tot de eerste levensbehoeften behoort.

Vrijwilligerswerk wordt door politici echter steeds vaker opgevoerd als gratis alternatief voor publieke diensten en sociale rechten. Dit idee is vastgelegd in de Participatiewet die 1 januari is ingegaan. Er zijn een aantal positieve voorbeelden (helaas te vaak dezelfde) te noemen van hoe buurtinitiatieven in de plaats van bijvoorbeeld buurthuizen en bibliotheken zijn opgekomen. Zo is in Rotterdam West de Leeszaal West door buurtbewoners opgezet als alternatief voor de gesloten bibliotheek. Dit is een enorme weggeefwinkel voor boeken en een ontmoetingsplek voor de wijk – een duidelijk voorbeeld van waar de vrije samenwerking van gewone mensen toe kan leiden.

Dergelijke initiatieven kunnen een belangrijke rol spelen in het ontwikkelen van gemeenschappen waar ‘de samenleving’ steeds meer synoniem wordt voor een anonieme en vijandige economische macht. Ze kunnen mensen leren waartoe ze zelf in staat zijn als ze samenwerken en laten zien dat collectief zelfbestuur van onze gemeenschappen geen utopie, maar een reële mogelijkheid is.

Maar de manier waarop politici hiermee omgaan laat vooral iets anders zien: veel menselijke behoeften zijn niet op een winstgevende manier te bevredigen. Wie deze toch bevredigd wil zien doet dat maar ‘in zijn eigen tijd.’

Hoewel alleen betaald werk als ‘echt’ werk wordt gezien is het steeds duidelijker dat betaling voor arbeid heel weinig te maken heeft met werkelijke maatschappelijke behoeften. Veel noodzakelijk werk komt op de schouders van vrijwilligers terecht, terwijl heel veel betaald werk – vanuit het belang van de meerderheid beschouwd – eigenlijk beter niet gedaan zou kunnen worden. In de zorg is dit heel duidelijk: de mensen die mantelzorg verlenen of die ouderen helpen in de huishouding zijn steeds vaker vrijwilligers. Aan de andere kant werken er bij zorgverzekeraars zo’n 15.000 mensen die wél allemaal worden betaald.

Zorgverzekeraars hebben een enorme macht over ‘consumenten’ en ‘zorgaanbieders’. Hun belangrijkste werkzaamheid is het voorkomen dat mensen de zorg krijgen die zij nodig hebben – premies gaan immers niet alleen naar zorg, maar vooral ook naar ‘overhead’ en winsten. Die winsten zijn zo hoog dat ze van gekkigheid niet weten wat ze ermee moeten – samen hebben de zorgverzekeraars een reserve van ruim 9 miljard euro.

Betaald werk, echt werk, is dus vervreemd werk, werk dat je niet doet uit eigen motivatie, maar voor de verrijking van kapitaalbezitters en topmanagers. Al het andere is hobby. Gelukkig zijn veel van die ‘hobby’s’ echter wel geldig als ‘tegenprestatie’: een deel van de werklozen kan op die manier repressievere trajecten ontlopen.

‘Ga werken, lul!’

Maar de tegenprestatie leidt nauwelijks tot betaald werk. Dat is natuurlijk logisch. Er zijn nauwelijks banen en de banen die er zijn, zijn vaak weinig aanlokkelijk. Voor wie leuk vrijwilligerswerk doet is geestdodend zwoegwerk voor een paar dubbeltjes extra een weinig aansprekend alternatief. Voor gemeenten is dat een groot probleem. Ten eerste willen ze bijstandsreductie: vandaar hun fixatie op veronderstelde fraude, pesterijen, strenge selectie, ontmoediging en de keiharde sancties voor bijstandsgerechtigden die ‘niet luisteren’.

Ten tweede is het belangrijk om ons te herinneren wat de functie is van een arbeidsreserveleger. Als zo’n ‘leger’ niet inzetbaar is kan het niet effectief worden gebruikt om werkenden onder druk te zetten. Dus moeten bijstandsgerechtigden aan het werk gezet worden – ook als dat werk er niet is. De oplossing hiervoor is de ‘werkervaringsplaats’ (WEP).

Wie een tijdje min of meer vrijwillig vrijwilligerswerk verricht, loopt het risico naar een WEP gestuurd te worden. Dit maakt het bijzonder moeilijk om duurzame buurtinitiatieven op te zetten met bijstandsgerechtigden, maar dat was immers ook nooit het werkelijke doel van de ‘tegenprestatie’. Op een WEP verrichten werklozen gedwongen onbetaald werk tot 32 uur per week. In sommige gevallen vindt dit plaats in voormalige sociale werkplaatsen, maar steeds vaker gebeurt dit binnen commerciële bedrijven of binnen de gemeente. Zo zijn veruit de meeste telefonisten van de Gemeente Rotterdam bijstandsgerechtigden.

Anders dan in een reguliere baan kunnen WEP’ers zich (bijvoorbeeld door te laat te komen) heel gemakkelijk schuldig maken aan ‘maatregelwaardig gedrag’. WEP’s produceren daarom beschikbare arbeidskrachten met ‘gegarandeerd gebroken wil’, winsten voor ondernemers via hyperexploitatie en schimmige constructies, verdringing van betaalde krachten, en sancties, dat wil zeggen: bijstandsreductie.

De bijstandsindustrie is dus primair een disciplinerend mechanisme dat het arbeidsreserveleger moet drillen. Het economisch nut van werklozen – de druk die zij leggen op werkenden, verdringing van betaald personeel en directe winsten voor wie deze mensen gratis in dienst neemt – wordt gemaximaliseerd terwijl zij door permanente terreur – de continue dreiging om de uitkering te korten of te beëindigen – politiek worden geneutraliseerd. Vrijwilligheid is dwang en elk nut is economisch.

Conclusie

Hoewel de ontwikkeling van de bijstandsindustrie erg ongelijkmatig is – onder andere doordat zij in verschillende gemeenten verschillende vormen aanneemt – is er een duidelijke tendens naar disciplinering en repressie.

Dat de Participatiewet en de tegenprestatie niets met ‘participatie’ te maken hebben blijkt wel in de omschrijving van de Gemeente Rotterdam in hun Bijsluiter Participatiewet: ‘De nieuwe Participatiewet betekent niet alleen dat de uitkering omlaag gaat. Ook de regels voor het krijgen en houden van een uitkering worden strenger.’ Zoveel mogelijk mensen moeten de uitkering uit en wie wel mag blijven moet aan het werk-voor-mensen-zonder- baan.

Dat er zo niets terechtkomt van het overnemen van voormalige overheidstaken is geen probleem. Een rechtgeaarde homo economicus is rationeel genoeg om schijt te hebben aan hun buren of de ouderen in hun omgeving. Wat niet winstgevend is, is namelijk geen werkelijke behoefte. Om die reden kon staatssecretaris Van Rijn bij Pauw met droge ogen het zorgsysteem verdedigen dat zijn eigen moeder tot kostenpost vernedert.

Deze hele situatie heeft heel gevaarlijke gevolgen. Niet alleen omdat werkloosheid wordt ingezet om al onze rechten af te breken, en niet alleen omdat de ‘onrendabelen’ onder ons (vooral ouderen en chronisch zieken) worden uitgesloten van onze totaal geëconomiseerde samenleving, maar ook vanwege de in de bijstand heersende sanctieterreur.

Bijstandsgerechtigden zijn namelijk ook mensen met een huurwoning, een zorgverzekering en kinderen die gevoed en geschoold moeten worden. Het komt steeds vaker voor dat deze mensen, die al nauwelijks iets hebben (en dan meestal schulden), door een foutje hun inkomen verliezen. Het gevolg is een groeiende groep woedende en wanhopige mensen die niet of nauwelijks iets te verliezen heeft. Toenemend geweld tegen werkconsulenten is al lang oud nieuws. Het is slechts een kwestie van tijd totdat sanctieterreur zich van een evenbeeld voorziet.

Voor links betekenen deze ontwikkelingen dat we een onmiddellijk einde aan de sancties en de tegenprestatie zouden moeten eisen om vrijwilligerswerk te herstellen tot wat het zou moeten zijn – vrijwillig werk. Ten tweede moeten we vechten voor een eerlijker verdeling van het beschikbare betaalde werk, door de AOW-leeftijd drastisch te verlagen en de werkweek te verkorten. Dat dit lijnrecht tegen de belangen van het kapitaal ingaat, herinnert ons er alleen maar aan wie ook al weer de vijand was.

Het beleid van de Amsterdamse SP-wethouder Vliegenthart levert hier geen enkele positieve bijdrage aan. Hij doet niets aan de sancties of aan de dwangarbeid, maar heeft door middel van ‘perspectiefbanen’ wel een nieuwe manier gevonden om werkgevers te subsidiëren. Dat de gemeenteraad hem naar de tekentafel heeft teruggestuurd vanwege de specifieke invulling van de plannen verandert daar weinig aan.

In plaats daarvan zou het beschikbare werk eerlijker moeten worden verdeeld. Maar daarnaast moest de tegenstelling tussen ‘werk’ en ‘vrijwilligheid’ opgeheven worden door betaald werk vrijwillig te maken en vrijwilligerswerk betaald. Dat betekent niet alleen dat iedereen het recht zou moeten hebben op een levensonderhoud, maar ook dat iedereen het recht zou moeten hebben op een nuttige baan die werkelijk bijdraagt aan de samenleving.

Noten