Revolutionairen, het parlement en democratie

Demonstratie in solidariteit met het Griekse verzet tegen de bezuinigingen, Dublin 3 juli 2015 (Foto: Des Byrne).
‘Eén keer in de drie of zes jaren beslissen welk lid van de heersende klasse het volk in het parlement zou vertegenwoordigen en vertrappen…’ Zo sprak Marx bitter over het parlement in zijn tijd. Nog altijd gaat achter het parlement de heerschappij van het kapitaal schuil. Maar dat betekent nog niet dat revolutionairen het kunnen negeren.
12 april 2021

Marx’ wantrouwen in de parlementaire democratie was gestoeld op zijn analyse van de kapitalistische staat. Hierin maakte hij onderscheid tussen de verschijningsvorm – nu monarchie, dan weer parlementaire democratie – en de werkelijke, onderdrukkende inhoud van de staat.

Sinds deze woorden uit 1871 is de kwestie van de staat verder uitgedacht in de socialistische beweging. Uiteindelijk stond dit vraagstuk zelfs centraal in het uiteenvallen van de Tweede Internationale. Pas op dit moment werd het verschil duidelijk tussen revolutionair socialisten (of communisten) aan de ene kant en sociaaldemocraten aan de andere kant. De revolutionairen hielden vol dat een revolutie noodzakelijk was om het kapitalisme omver te werpen. De sociaaldemocraten geloofden daarentegen dat zij met een meerderheid in het parlement (en – als het even kon – een sterke vakbeweging) het kapitalistische systeem van binnenuit zouden kunnen ontmantelen.

Maar dat betekende niet dat de houding van revolutionairen tegenover het parlement een uitgemaakte zaak was. Sociaaldemocraten houden natuurlijk vast aan het pluche, maar ook revolutionairen hebben door de geschiedenis heen zetels in parlementen gehad. De vraag is dus eerder: hoe verhoud je je als revolutionair tot een parlement?

Om deze vraag te beantwoorden zullen we eerst moeten vaststellen dat het inderdaad niet mogelijk is om de kapitalistische staat van binnenuit te hervormen. Als het kapitalisme te hervormen was, dan zou een revolutie immers onnodig zijn. Vervolgens kunnen we lessen trekken uit de rijke geschiedenis van revolutionairen in parlementen en de discussies die hierbij opkwamen.

Het karakter van de staat

Historisch gezien is de staat als instituut ontstaan, omdat er een duidelijke verdeling kwam tussen mensen met veel bezit en mensen met weinig bezit. Kort nadat de mensheid begon met landbouw ontstonden de eerste staten, omdat de rijken hun grond en hun oogst wilden beschermen tegen mensen die niets hadden. Deze lagere klassen zullen altijd proberen zichzelf in leven te houden. Wanneer dit onmogelijk wordt gemaakt, worden de pijlen op de bezittende klasse gericht.

De bescherming hiertegen kwam in de vorm van een staat die een alleenrecht op geweld heeft. De rijken verschaften zich de mogelijkheid om mensen op te pakken, op te sluiten of zelfs te vermoorden. De klasse van de grondbezitters beschermde met dit geweld haar belangen tegenover de belangen van de lagere klassen. De staat, zo stelt de Russische revolutionair Lenin dan ook, is ‘het product en de uitdrukking van de onverzoenlijkheid van klassentegenstellingen’. Door de geschiedenis heen heeft dit verschillende vormen aangenomen, maar dit feit staat telkens overeind: de machtigste klasse in een gegeven tijdperk heeft de staat onder controle.

Onder het kapitalisme is deze heersende klasse de bourgeoisie, de klasse die aan de top van het bedrijfsleven staat en – om winst te kunnen maken – mens en natuur uitbuit. Deze klasse gebruikt de staat om Revolutionairen, het parlement haar belangen te verdedigen. Dit is niet beleid van individuele kabinetten. Het kapitalisme zit als het ware ingebakken in de staat.

De staat heeft over veel juist niets te zeggen: er is geen zeggenschap over de productie van goederen en of deze aan behoeften voldoen. Zelfs wanneer er vaccinaties geregeld moeten worden, bij uitstek een publiek goed, dan betalen staten netjes bakken met geld aan private bedrijven en zijn we afhankelijk van de grillen van de markt. De staat is dus afhankelijk van de economie die wordt geregeld door gigantische bedrijven en hun aandeelhouders.

Mocht een branche het niet eens zijn met een regering, bijvoorbeeld als die probeert hogere winstbelasting of een hoger minimumloon in te voeren, dan dreigt de lobby van de sector vaak met vertrek uit het land. Westerse geopolitiek is ook al sinds jaar en dag gericht op controle van grondstoffen, soms met oorlog als ultieme middel. Denk hierbij bijvoorbeeld aan de invasie van Irak ten behoeve van westerse controle over olievelden. Op deze manier maakt de staat de weg vrij voor bedrijven om zoveel mogelijk winst te maken.

Omdat de kapitalisten uiteindelijk de macht hebben over de staat, kunnen we niet spreken van echte democratie. Zelfs met een overgrote linkse meerderheid die weigert te luisteren naar de lobbygroepen, wordt de bewegingsruimte van een linkse regering nog steeds door het kapitalisme bepaald. We kunnen productie op basis van winst niet wegstemmen en hebben niets te zeggen over werkloosheid en massaontslagen. Daarom heerst overal ter wereld, ongeacht welke staatsvorm, een dictatuur van de bourgeoisie.

Hoewel de ontwikkeling van het kapitalisme gepaard ging met de opkomst van parlementen, kunnen we niet stellen dat de bourgeoisie altijd het liefst een parlementaire democratie heeft gehad. De strijd voor universeel stemrecht, waarbij het vrouwenkiesrecht nog een aparte strijd nodig had, was niet een overwinning van de heersende klasse maar voor haar juist een nederlaag. Democratische rechten zijn verworven door sterke arbeidersbewegingen, die stakingen en andere collectieve, soms gewelddadige acties ondernamen om dit voor elkaar te krijgen. Ook al zijn het de liberalen die vandaag de dag pronken met deze verworvenheden, het waren socialisten die ze in de eerste plaats hebben geëist en linkse bewegingen van onderop die ze hebben afgedwongen.

Door de geschiedenis heen kun je duidelijke bevestigingen vinden van het feit dat de bourgeoisie niet zoveel op heeft met democratie. Toen Franse liberalen in de 19e eeuw de macht definitief overnamen van de oude garde van aristocraten, beloofden ze om de democratie in te voeren. Maar toen de arbeidersklasse zich begon te organiseren en eisen ging stellen, begon het liberalisme direct een rechtsere koers te varen. Uiteindelijk was de hoofdprioriteit van de liberalen om de weg vrij te maken voor de industrie en het bankwezen.

Toen linkse groepen dit begonnen te ondermijnen, steunde het overgrote deel van de kapitalistische klasse de coup van Louis Bonaparte, die direct alle democratische rechten terugdraaide maar de industrie met rust liet. Het einddoel van de kapitalisten is nog altijd het maken van winsten. Wanneer dit doel bedreigd wordt door mensen die meer inspraak in hun leven willen – bij uitstek een democratisch vooruitzicht – kan de staat altijd nog terugvallen op kogel en wapenstok.

Uiteindelijk handelt de staat in het belang van de bourgeoisie, dat koste wat het kost het systeem van uitbuiting overeind wil houden. Tegelijkertijd heeft de staat over veel dingen weer helemaal niets te zeggen. De mogelijkheden om ‘sociaal’ beleid te voeren is in een asociaal systeem beperkt. De winst regeert.

Doorgeefluik

Toch hebben linkse mensen, ook zij die een wereld na het kapitalisme voor zich zagen, geprobeerd om het kapitalisme te hervormen. Dat wil zeggen: zij hebben onder de voorwaarden van het kapitalisme (een parlementaire democratie die geen echte zeggenschap heeft over de bezigheden van kapitalisten) geprobeerd datzelfde systeem te ondermijnen. Dit is op verschillende manieren geprobeerd, soms opportunistisch, soms vervuld van mooie intenties, maar vaak met rampzalige gevolgen voor de arbeidersklasse.

Op een golf van algemene stakingen, demonstraties en bezettingen kwam in Griekenland in 2012 de radicaal-linkse partij Syriza aan de macht. Zij beloofden een eind te maken aan de bezuinigingen die de Europese Unie, een soort staat boven de staat, aan hen oplegden. De getekende contracten van voorgaande regeringen die aan de EU beloofden om te blijven bezuinigen zouden eenzijdig worden opgezegd. Eenmaal aan de macht merkte de partij echter dat het niet zo gemakkelijk is om dit binnen de formele wetten voor elkaar te krijgen. De kracht van de arbeidersklasse, die zich met de algemene stakingen deed gelden, werd gepasseerd. Een kabinet in een kapitalistisch land – dat ook nog eens in de kapitalistische EU zit – kon het niet voor elkaar krijgen om überhaupt beleid tegen bezuinigingen te voeren. Syriza werd in plaats daarvan het doorgeefluik van de EU en daarmee de beul van de Griekse arbeidersklasse. De geschiedenis staat helaas vol met dit soort linkse partijen die van alles beloven maar binnen de context van een kapitalistische staat daar niets van waar kunnen maken.

Toch richt een partij als de SP, die toch zeker met activistische beginselen is opgericht, zich nu al jarenlang op meeregeren. Het mag duidelijk zijn dat dit voor die activistische beginselen ingrijpende gevolgen heeft gehad. De focus op regeren heeft ertoe geleid dat de SP al op voorhand linkse principes inlevert, niet alleen om rechtse partijen tegemoet te komen, maar ook om de logica van de kapitalistische staat te omarmen.

‘De straat’, of ‘de buurten’ in SP-taal, dienen slechts nog tot het ronselen van stemmen. In plaats van werkende mensen zijn de politici en bureaucraten van de partij leidend geworden.

Met BIJ1 hebben we nu eindelijk weer een stevig links geluid in de Kamer, dat gelukkig niets belooft over regeren maar vooral oppositie wil voeren. Simons beloofde ‘een linkse luis in de pels’ te zijn. De vraag is alleen of deze tactiek voortvloeit uit een analyse van de tandeloosheid van het parlement of dat het voortvloeit uit het feit dat de partij maar één zetel heeft. Hoe dan ook is de organisatorische kwestie van levensbelang: geef je zaken die horen bij parlementaire politiek de prioriteit, dan is verrechtsing onvermijdelijk. Net zoals de macht van de kapitalisten vooral buiten het parlement tot uiting komt, zo geldt dat ook voor de macht van onderdrukten en uitgebuitenen.

Hoe dan wel?

Het parlement is overigens niet nutteloos. Het is niet zo dat we als revolutionairen net zo goed in een dictatuur zouden kunnen wonen. Integendeel. Zoals gezegd is het parlement, net als andere democratische rechten, afgedwongen door verzet van onderop, veelal geleid door socialisten. Revolutionairen kunnen dan ook makkelijker opereren in landen waar er relatieve vrijheid van meningsuiting is en waar organisaties en partijen niet verboden kunnen worden.

Het parlement was ook zeer nuttig voor de Russische bolsjewieken. Dankzij een opstand in 1905 werd de tsaar gedwongen een soort parlement te introduceren: de Doema. Hier maakten de communisten, die ook wel wisten dat de macht uiteindelijk niet in de Doema lag, gretig gebruik van. Aleksej Badajev, die een zetel in de Doema had namens de bolsjewieken, vat het als volgt samen: ‘De partij moet een genadeloze strijd voeren tegen de tsaristische dictatuur en de partijen van grootgrondbezitters en kapitalisten die de tsaar steunen; we moeten consequent hun reactionaire en antidemocratische ideeën blootleggen.’

Van de verkiezingscampagne tot de handelingen in de Doema stond alles in het teken van de buitenparlementaire revolutionaire beweging die zij tegelijkertijd aan het opbouwen waren. In de campagne hebben de communisten hun stemmers geen illusies voorgehouden: onze macht ligt op straat en onze positie in het parlement zal er alleen toe dienen om andere partijen aan de tand te voelen.

Andere linkse partijen, die slechts in naam revolutionair waren, voerden daarentegen campagne met het doel ‘reactionairen uit het parlement te verdrijven’. De bolsjewieken eisten in hun campagne daarentegen een democratische republiek en de afschaffing van het tsarisme, een achturige werkdag, het in beslag nemen van private grond en complete vrijheid van meningsuiting. Door aan te sluiten bij brede eisen die eigenlijk niet ingewilligd konden worden in het huidige systeem, lieten de bolsjewieken de antidemocratische kern van het systeem zien en konden zij wijzen naar de enige echte oplossing: een revolutie.

Eenmaal in de Doema ondervonden de bolsjewieken dat hun beste wapen de interpellatie was, de vragen aan de ministers. Andere partijen vroegen bij het aankaarten van misstanden telkens: ‘is de minister zich hiervan bewust en welke stappen gaat hij ertegen nemen’, vertelt Badajev. Maar de bolsjewieken hadden hier geen boodschap aan: ze wisten dat de minister op de hoogte was van de politierepressie, de onderdrukking en de uitbuiting. Net zo goed wisten zij dat de minister daar niets tegen ging doen. Voor de bolsjewieken waren de Kamervragen slechts een middel om de waarheid over de misdaden van het regime naar boven te halen. De leugenachtige verdedigingen van de ministers kwamen hier nog bij als kers op de taart.

Alles wat naar boven kwam dankzij deze vragen werd naar buiten gecommuniceerd. In de tijd van tv en social media is dit nog gemakkelijker. Een veelgehoord argument is dat we beter nú kunnen zorgen voor broodnodige linkse hervormingen en ons later wel om ‘de revolutie’ kunnen bekommeren. Maar de waarheid is dat buitenparlementaire revolutionaire organisatie juíst actueel en te allen tijde relevant is, ook voor hervormingen. En zelfs als het een regering lukt om sociaal beleid te voeren, dan kan het volgende kabinet dat makkelijk weer terugdraaien.

De rechten voor kapitalistische uitbuiting zijn in steen gebeiteld, sociale rechten voor werkende mensen niet. De enige manier om tijdelijke hervormingen van het kapitalisme te behouden is door onze regeringen geen centimeter ruimte te geven. Alleen een beweging van onderop die de economie plat kan leggen en daarmee dus de winsten van kapitalisten in gevaar brengt, is hiertoe in staat.

Een revolutie is het einddoel van deze buitenparlementaire organisatie, maar vervult dus in de tussentijd al een onmisbare functie. De revolutie, een ware machtsgreep tegen het gehele systeem van uitbuiting en onderdrukking, verzekert ons ervan dat de belangen van de uitbuiters niet meer tellen en die van de werkende mensen voorop staan. Zoals Lenin het zei: ‘De taak van de revolutie is om een eind te maken aan alle compromissen’.

Volksvertegenwoordiger

Een revolutionaire partij is in staat om de belangen van alle onderdrukten samen te brengen en hier een stem aan te geven. Deze partij kan gebruik maken van elk moment, elk schandaal, elke klap in het gezicht, door deze gevallen uit te leggen als een onvermijdelijk onderdeel van het kapitalistische systeem en hierbij de arbeidersklasse steeds opnieuw te wijzen op hun taak om ditzelfde systeem omver te werpen. Maar alleen een stem geven aan de onderdrukten is niet genoeg: revolutionairen zijn niet alleen propagandisten, ze zijn ook in staat te organiseren, te analyseren en onrust om te zetten in actie. Deze laatste drie functies vervul je niet in het parlement.

Juist omdat revolutionaire socialisten geen illusies hebben in het parlement, kunnen zij de beste parlementariërs zijn. De term ‘volksvertegenwoordiger’ doet alleen recht aan de parlementariër die klachten, problemen en misdaden aan de kaak weet te stellen, maar tegelijkertijd de achterban geen illusies voorhoudt over de strijd tegen die misdaden. De revolutionaire volksvertegenwoordiger verwoordt het zuiver en uitdrukkelijk: we leven in een ondemocratisch en onhervormbaar systeem, het parlement is slechts een verschijningsvorm van de dictatuur van de bourgeoisie en alleen de revolutionaire beweging kan ons hieruit helpen.

Kom naar:
Bijeenkomst: revolutionairen en het parlement

Bijeenkomst georganiseerd door de Internationale Socialisten over hoe revolutionairen naar het parlement kijken.