Lenin voor activisten

Deze brochure is een toegankelijke introductie tot Lenin en geeft een beeld van hem als mens, van zijn ideeën en zijn relevantie voor de 21ste eeuw.
29 november 2011

1. Wat kunnen we van Lenin leren?

De meeste historici zijn het erover eens: Lenin en het leninisme symboliseren iets verderfelijks. Lenin zou een genadeloze dictator zijn die zowel de Bolsjewistische Partij als de jonge sovjetstaat met ijzeren hand regeerde.

Hij zou ook verantwoordelijk zijn voor duizenden doden en het ontstaan van een totalitaire maatschappij. In deze visie was de opkomst van Stalin slechts een logisch vervolg op de politiek van Lenin. Lenin wordt zonder blikken of blozen vaak in hetzelfde rijtje gezet als Hitler of Saddam Hussein. Martin Amis, vooral bekend vanwege zijn seks- en geweldromans, schreef een veelbesproken werk over de Russische Revolutie. Daarin concludeerde hij dat Lenin en Trotski ‘niet alleen de voorgangers van Stalin waren, maar ook de weg voor hem plaveiden door een volledig functionerende politiestaat te stichten’.1

Ook linkse commentatoren bekritiseren Lenin dikwijls. Hij sloeg immers de matrozenopstand van Kronstadt neer, hij dwarsboomde het ontstaan van een onafhankelijke anarchistische beweging in de Oekraïne en hij vernietigde de fabriekscomités die vlak na de revolutie ontstonden.

Er is een ander beeld van Lenin. Natuurlijk maakte hij fouten. Hij kon genadeloos zijn (hoewel altijd in het belang van de zaak en nooit om zichzelf te verrijken) en hij vocht onvermoeibaar voor zijn opvattingen. Zijn bekendste wapenfeit is wel zijn rol in de Oktoberrevolutie van 1917 in Rusland. Deze revolutie opende de deur naar een nieuw soort maatschappij, een maatschappij waarin menselijke productie in de eerste plaats voor menselijke behoeften zou worden gebruikt, waarin werkende mensen en niet de bezitters de beslissingen zouden nemen, waarin mensen van de meest uiteenlopende rassen en nationaliteiten samen zouden werken in plaats van elkaar te bevechten. In zo’n wereld zouden kinderen alleen in de geschiedenisles op school met oorlog en armoede te maken krijgen en zich erover verbazen dat zulke gruwelijkheden ooit werkelijk hadden plaatsgevonden.

De wereld van vandaag is heel anders dan die waarin Lenin leefde. Zijn eerste pamfletten waren handgeschreven, terwijl vandaag de dag ideeën wereldwijd kunnen worden verspreid met een simpele druk op de knop. Aan de andere kant zijn veel dingen hetzelfde gebleven: vernietigende oorlogen, de kloof tussen arm en rijk, toenemende repressie door de staat, plundering van armere landen door multinationals, de corruptie en machteloosheid van parlementariërs, enzovoort. Een andere wereld is daarom niet alleen mogelijk, maar ook noodzakelijk als we als mensheid willen overleven. Om dat te bereiken hebben we echter organisatie nodig. Onze vijanden zijn strak georganiseerd. Wij zullen dat ook moeten zijn.

De rode draad in het leven van Lenin was de noodzaak van organisatie. Hoe die organisatie eruit moest zien varieerde van tijd tot tijd en van situatie tot situatie. Er bestaat niet zoiets als de mythische ‘leninistische partij’. Ook is Lenins werk geen verzameling receptenboeken. De beste leninist is niet per se degene die hem het vaakst citeert. Juist een analyse van zijn ervaringen en prestaties kan ons helpen zijn methodes te begrijpen en die vormen van organisatie te ontwikkelen die het best passen bij onze eigen strijd.

2. Lenin wordt revolutionair

Vladimir Oeljanov, die later bekend zou worden als Lenin, werd in 1870 geboren als zoon van een schoolinspecteur. Rusland was toen een uitgestrekt rijk waarin het merendeel van de bevolking leefde als boer. Deze boeren waren over het algemeen analfabeet. Ze waren veroordeeld tot een bestaan van zwaar werk en werden blootgesteld aan periodieke hongersnoden. Zij kwamen alleen buiten hun eigen dorpsgrenzen als ze werden opgeroepen om te gaan vechten voor de tsaar. Vaak eindigden ze in een naamloos soldatengraf. De lijfeigenschap, die de boeren feitelijk reduceerde tot bezit van lokale landheren, werd pas in 1861 afgeschaft. De tsaar regeerde op dictatoriale wijze.

De belangrijkste linkse kracht was destijds de groep die zich de ‘Narodniki’ (populisten) noemde. Tegenwoordig zou men hen ‘terroristen’ noemen. Deze groep bestond voornamelijk uit studenten en intellectuelen die ervan overtuigd waren dat ze de onderdrukte boeren moesten bevrijden. Hun tactiek bestond uit het plaatsen van bommen en het plegen van moorden. Ze dwongen respect af met hun moed, maar wisten weinig te bereiken. Lenins broer was betrokken bij dergelijke activiteiten. Hij werd in 1887 opgehangen.

Deze gebeurtenis maakte van Lenin een revolutionair. Hij ging op zoek naar een strategie die hem kon helpen de wereld te veranderen en kwam uiteindelijk uit bij de geschriften van Karl Marx. Marx had betoogd dat het kapitalisme de arbeiders uitbuit. Zij ontvangen als salaris maar een klein deel van de waarde die ze produceren. Deze arbeiders zouden echter aan de andere kant het kapitalisme omver kunnen werpen en een maatschappij kunnen creëren op basis van gemeenschappelijk bezit. Arbeiders, niet boeren, konden deze rol vervullen. Boeren zouden immers bij omverwerping van het grootgrondbezit de grond onderling kunnen verdelen en privébezit in stand houden. Arbeiders daarentegen zouden nooit de fabriek kunnen opdelen. Voor hen zou de oplossing altijd collectief moeten zijn. Marx had al geconcludeerd dat de bevrijding van de arbeiders nooit van buitenaf zou kunnen plaatsvinden door een kleine groep van heldhaftige revolutionairen. Hij stelde in plaats daarvan: ‘De emancipatie van de arbeidersklasse kan alleen het werk zijn van de arbeidersklasse zelf.’

Dit betekende voor Lenin dat revolutionairen zich zouden moeten bevinden waar de arbeiders waren. Aan het begin van de jaren negentig (van de negentiende eeuw) bestonden er allerlei studiegroepen van intellectuele arbeiders die vastbesloten waren om hun eigen kennis te vergroten. Zij waren echter geïsoleerd van hun collega’s. Voor Lenin was het duidelijk dat het de taak was van socialisten om zich te storten in de concrete en alledaagse gevechten op de werkvloer, zoals de strijd voor hogere lonen of betere werkomstandigheden. Omstreeks die tijd benadrukte hij het belang van het scholen van activisten. Zelf hield hij zich bezig met het bestuderen van de fabrieksomstandigheden en het schrijven van pamfletten die in de fabrieken circuleerden.

In 1899 publiceerde Lenin De ontwikkeling van het kapitalisme in Rusland. Dit werk was gebaseerd op drie jaar onderzoek, waarvoor Lenin de lijd had vanwege verschillende gevangenschappen en langdurige ballingschap. Hoewel het werk vol stond met details en cijfers was de boodschap duidelijk. Rusland leefde nog voor het overgrote deel van de landbouw, maar de moderne industrie groeide en daarmee ook de rol van de arbeidersklasse. De Narodniki hadden ongelijk. Niet de boeren, maar de arbeiders waren de sleutel tot sociale verandering in Rusland.

Deze ontwikkeling had twee kanten. Aan de ene kant was er sprake van genadeloze uitbuiting, aan de andere kant bracht de ontwikkeling van het kapitalisme grote groepen mensen samen in fabrieken waar ze zich collectief konden organiseren, wat op het platteland niet mogelijk was. Hierin lag voor Lenin de progressieve kant van het kapitalisme. Er zou geen terugkeer meer mogelijk zijn naar een geïdealiseerde prekapitalistische samenleving: ‘Men hoeft zich alleen maar de verbazingwekkende fragmentatie van de kleine producenten voor de geest te halen om overtuigd te raken van de progressieve kracht van het kapitalisme. Deze vernietigt voor onze ogen de grondvesten van de prehistorische vormen van de economie en het leven.’2

In de fabriek zou volgens Lenin pas de ontwikkeling van een socialistisch bewustzijn mogelijk zijn: ‘Iedere staking brengt socialistische gedachten krachtig naar voren in het bewustzijn van de arbeider.’3

3. Bolsjewisme: wat te doen?

In 1898 werd op een congres in Minsk de Russische Sociaal-Democratische Arbeiderspartij (RSDAP) opgericht. Op dit congres waren maar negen afgevaardigden aanwezig. Lenin zelf ontbrak vanwege zijn verbanning naar Siberië.

Onder het tsaristisch bewind waren socialistische activiteiten verboden. Slechts weinig revolutionairen slaagden erin langer dan een jaar in vrijheid te opereren. Het merendeel kwam in de gevangenkampen in Siberië terecht. Tussen 1900 en 1905 leefde Lenin in ballingschap in Londen, München en Genève.

In 1902 publiceerde Lenin Wat te doen?, waarin hij zijn ideeën over partijorganisatie uiteenzette. Veel van zijn latere critici en sommige aanhangers gebruiken dit werk als blauwdruk voor de leninistische organisatie, ongeacht tijd en plaats. Daar was het werk niet voor bedoeld. Lenin schreef Wat te doen? in specifieke omstandigheden en als antwoord op actuele vragen van dat moment. Het boek is dan ook veel meer een historisch document dan een universeel partijprogramma. Toch bevat het een aantal belangrijke argumenten die nog altijd relevant zijn.

Een paar jaar eerder had Lenin nog aangegeven dat vakbonden arbeiders in de richting van het socialisme zouden kunnen stuwen. Nu stelde hij het tegenovergestelde. Vakbondsactivisme ‘betekent juist de ideologische knechting van de arbeiders door de bourgeoisie’.4 Dit was uiteraard een overdrijving, maar wat Lenin wilde aangeven was dat het de rol van vakbonden is om werkomstandigheden binnen het kapitalisme te verbeteren in plaats van het systeem als geheel aan te vallen.

De revolutionaire partij zou moeten vechten voor het socialisme. Hierbij konden vakbonden een stimulerende rol spelen, maar slechts als middel en niet als doel op zichzelf. Socialistische ideeën ontstaan nooit automatisch. De grote socialistische denkers zoals Marx en Engels, maar ook Lenin, waren zelf geen arbeiders. Fabrieksarbeiders konden logischerwijs na een elf-urige werkdag moeilijk nog tijd vinden om te lezen, laat staan te schrijven. Om die reden stelde Lenin dat ‘politiek klassenbewustzijn de arbeider slechts van buitenaf kan worden bijgebracht, dat wil zeggen, buiten de economische strijd, buiten de sfeer van de betrekkingen tussen de arbeiders en de ondernemers’.5 Dit citaat is later vaak misbruikt en uit zijn verband gehaald.

Lenin vroeg zich vervolgens af waarom de ideeën van de bourgeoisie de maatschappij overheersten. Hij stelde dat dit zo was ‘om de eenvoudige reden, dat de burgerlijke ideologie in haar afkomst veel ouder is dan de socialistische, omdat ze veelzijdiger is uitgewerkt, omdat ze over onvergelijkelijk meer middelen ter verbreiding beschikt’.6 Wat zou zijn reactie zijn geweest op de moderne massamedia?

Socialistische ideeën zouden nooit ‘spontaan’ kunnen ontstaan. De bestaande orde beschikte over vele middelen om zichzelf te verdedigen. Socialisten zouden hier iets tegenover moeten zetten dat minimaal even krachtig was.

Een van de belangrijkste middelen hiervoor werd een socialistische krant. In het laatste deel van Wat te doen? roept Lenin op tot het oprichten van een dergelijke krant voor geheel Rusland. Deze zou ook als organisator moeten dienen die door een netwerk van activisten verspreid zou worden. Deze zouden gedisciplineerd en goed georganiseerd te werk moeten gaan om ‘de verbinding met de breedste massa’s van de arbeiders te versterken’.7

Kranten als Iskra (Vonk), waarvan Lenin redacteur was, werden in het buitenland gedrukt en vervolgens over de grens gesmokkeld om verspreid te worden. Soms werden in Rusland zelf kleine clandestiene drukkerijtjes opgezet.

Lenin stelde dat de partij er niet zomaar was voor iedereen die sympathie had voor socialistische ideeën, maar juist moest bestaan uit toegewijde en professionele revolutionairen, die bereid waren om al hun energie te wijden aan de strijd en die op een gedisciplineerde manier konden optreden. Onder de repressieve omstandigheden in Rusland zou een gemakkelijk toegankelijke partij niet alleen laagdrempelig zijn voor brede lagen arbeiders, maar ook voor de politie. Tussen deze twee uitersten moest de partij een balans zien te vinden.

In Wat te doen? wordt de noodzaak van centralisatie uiteengezet: ‘een vaste, gecentraliseerde strijdorganisatie van revolutionairen’.8

Alleen een gecentraliseerde organisatie zou in staat zijn om de constante dreiging van de politieke politie te weerstaan en om de krant te verspreiden in alle delen van het land. Het Russische socialisme zou gekenmerkt worden door intensieve discussies en verschillen van mening, maar als er eenmaal gezamenlijk tot een beslissing was gekomen, was iedereen verplicht om deze in de praktijk te brengen. Strategie en tactiek zouden dan in de praktijk getest kunnen worden en, indien nodig, kunnen worden aangepast.

Dit werd de basis van ‘democratisch centralisme’. Dit klinkt ingewikkelder dan het in werkelijkheid is. Het principe is eigenlijk van nature al aanwezig in organisaties waarin mensen samenkomen om iets concreets te bereiken, in plaats van simpelweg te discussiëren.

In 1903 viel de RSDAP uiteen. Hoewel de ontwikkeling van het socialisme vele splitsingen en meningsverschillen met zich mee zou brengen, de één relevanter dan de ander, draaide de breuk van 1903 om een belangrijk principe. Lenin wilde een partij waarin mensen bereid waren om gedisciplineerd te werk te gaan en niet alleen maar sympathiseerden met de ideeën van de partij. Hij won de meerderheid voor zich en vormde de ‘Bolsjewieken’ (Russisch voor meerderheid). De andere groep zou voortaan de ‘Mensjewieken’ (minderheid) heten. Veel lokale groepen zouden echter nog wel samen blijven werken. Pas in 1912 vond de definitieve breuk plaats, ondanks diverse pogingen om deze te lijmen.

De organisatorische richtlijnen van Lenin wisten de partij in moeilijke tijden bij elkaar te houden, maar al snel bleken andere omstandigheden andere eisen te stellen aan de partijorganisatie.

4. 1905: voorlopige regering

Toen in januari 1905 in Sint-Petersburg een grote demonstratie onder leiding van de priester Gapon optrok naar het paleis van de tsaar, openden troepen het vuur op de menigte. Honderden mensen werden gedood. Deze gebeurtenis luidde een nieuwe periode in.

De ideeën die door Lenin waren uiteengezet in Wat te doen? waren opeens niet meer zo belangrijk. In plaats daarvan moest de partij zich nu richten op het versterken van de beweging tegen de tsaristische staat. Hiervoor was een kleine groep van professionele revolutionairen niet langer voldoende, maar moesten de meest militante leden van de arbeidersklasse worden gemobiliseerd.

In een brief die Lenin schreef als reactie op de gebeurtenissen van januari riep hij de Bolsjewieken op om ‘zonder terughoudendheid zoveel mogelijk jonge mensen te rekruteren… Dit is een tijd van oorlog. De jongere generatie, studenten en jonge arbeiders, zij zullen de koers van de strijd bepalen.’ Hij benadrukte dat als nieuwe mensen actief betrokken werden bij het werk, ‘het geen kwaad zou kunnen als zij fouten zouden maken.’9

In september 1905 brak er een staking uit bij de drukkers, die extra betaling eisten voor het zetten van leestekens. De staking verspreidde zich snel en groeide uit tot een algemene staking. Werkplekken waar gestaakt werd stuurden hun afgevaardigden naar een centraal stakingscomité dat later bekend zou worden onder de naam sovjet (Russisch voor ‘raad’). De sovjets vormden een geheel nieuwe vorm van organisatie. Binnen enkele weken groeide de sovjet van Sint-Petersburg uit tot een lichaam met 562 afgevaardigden die samen zo’n tweehonderdduizend arbeiders vertegenwoordigden. De sovjet werd een politiek lichaam ter verdediging van de belangen van de arbeidersklasse. In dit proces van organisatie werden oude vooroordelen doorbroken. Hoewel antisemitisme wijdverspreid was, verkozen de arbeiders een jonge jood als hun belangrijkste leider. Zijn naam was Lev Trotski.

De jaren van clandestiene activiteiten hadden hun tol geëist onder de Bolsjewieken en het conservatisme en sektarisme binnen de partij versterkt. Het was niet makkelijk om te wennen aan de geheel nieuwe situatie die ontstaan was. Vele Bolsjewieken in Sint-Petersburg wantrouwden de sovjets, terwijl ze in Moskou en op andere plekken juist een centrale rol speelden in het ontstaan van de nieuwe raden. Lenin wist de ontstane situatie op waarde te schatten en hij reisde onmiddellijk (op een vals paspoort) naar Sint-Petersburg.

Lenin vond dat de partij zich meer moest wortelen in de meest revolutionaire en strijdbare delen van de arbeidersklasse. Ook christelijke arbeiders zouden bijvoorbeeld lid mogen worden van de partij. Hierover zei Lenin dat diegenen die wilden strijden, maar vasthielden aan religieuze ideeën, inconsequent waren. Hij geloofde dat ‘de concrete strijd en het werken binnen de gelederen van de arbeidersbeweging alle vitale elementen ervan zou overtuigen dat het marxisme de weg vooruit laat zien en de minst vitale elementen op een zijspoor zou zetten’.10

Iets wat de Bolsjewieken zou onderscheiden van de andere politieke stromingen was de eis dat de arbeiders bewapend werden. Lenin zei dat hij ooit in een discussie met liberalen het volgende argument had gehoord: ‘Stel je eens voor dat je een slaaf bent die zojuist, samen met een andere slaaf, voor de leeuwen is gegooid, is het dan niet beter om samen te werken om zo de gemeenschappelijke vijand te verslaan?’ Hierop antwoordde Lenin: ‘Maar wat als slechts één van de twee slaven gewapend de aanval op de leeuw wil inzetten en de ander hiervoor terugschrikt vanuit zijn principe van geweldloosheid?’11

Iedere revolutie komt als een verrassing. De uitdaging voor revolutionairen ligt niet zozeer in het voorspellen van sociale uitbarstingen, maar veel meer in het inspelen op veranderende omstandigheden. Om te kunnen overleven in tijden van relatieve rust hebben revolutionaire partijen organisatie, discipline en routine nodig. Maar deze kwaliteiten kunnen een blok aan het been worden als situaties snel veranderen. Voor 1905 waren de Bolsjewieken steeds een kleine partij geweest, die probeerde socialistische ideeën bij de arbeidersbeweging ingang te doen vinden. Na 1905 veranderde hun rol drastisch. Het was nu zaak om zelf te leren van de opkomende arbeidersbeweging en haar ervaringen in zich op te nemen om hierdoor de beweging als geheel op een hoger niveau te kunnen brengen. Ondanks fouten die werden gemaakt zorgde de actieve opstelling van de Bolsjewieken in 1905 ervoor dat hun invloed groeide. In de twee jaren na 1905 steeg het ledenaantal tot veertigduizend, een hoogtepunt tot op dat moment. Deze nieuwe generatie activisten zou een cruciale rol spelen in de toekomstige strijd.

5. De eenheid bewaren

De tsaar wist zijn positie na 1905 echter te behouden. Lenin werd gedwongen te vluchten naar Finland en aan het einde van 1907 verhuisde hij naar Zwitserland. Het zelfvertrouwen van de arbeiders kreeg in deze periode een enorme klap. In plaats van steeds grotere demonstraties, hadden er in Rusland discussies in kleine groepjes plaats over de lessen die getrokken dienden te worden uit de gebeurtenissen. Omdat de Bolsjewistische Partij in de arbeidersklasse geworteld was, was ook hier de demoralisatie merkbaar. Terwijl in 1907 een hoogtepunt werd bereikt met veertigduizend leden, was het ledenaantal in 1910 gezakt tot een paar honderd.

Lenin besefte dat de neergang niet heel lang kon duren. De interne tegenstellingen van het kapitalisme zouden immers onvermijdelijk de arbeiders weer dwingen om in verzet te komen. De uitdaging voor de partij was om de boel bij elkaar te houden en zich voor te bereiden op de volgende ronde van strijd. Zoals iedereen weet die wel eens naar de Tour de France heeft gekeken, heeft het geen zin om naar de top van de berg te fietsen als je niet weet hoe je weer moet afdalen. Het overleven van kleine groepjes activisten zou de partij in staat stellen te reageren op een volgende golf van strijd.

Lenin was een bijzonder doelgericht persoon. Vergeleken met Marx, Engels of Trotski leek hij zelfs wel enigszins een tunnelvisie te hebben. In zijn geschriften is weinig terug te vinden van het brede spectrum van interesses dat bij die anderen wel naar voren komt. Lenin sloot zich bewust af voor culturele ervaringen. Gorki herinnert zich dat Lenin eens, bij het horen van Beethoven, uitriep dat deze muziek het effect had dat hij bepaalde mensen over hun bol wilde aaien, terwijl hij ze op hun kop zou moeten geven.12

Lenin richtte zich uitsluitend op de opbouw van de partij. Andere revolutionairen zochten naar snelle oplossingen om dit werk te omzeilen. Gorki was een vriend van Lenin. Hij werd in 1905 lid van de Bolsjewieken en schreef een beroemd verslag over de revolutionaire beweging in zijn roman De Moeder (1906). In 1909 organiseerde Gorki een scholing voor dertien Russische activisten. Lenin weigerde hieraan deel te nemen vanwege zijn filosofische meningsverschillen met Gorki. Toen vijf van de studenten ruzie kregen met Gorki, nodigde Lenin ze onmiddellijk uit om zich bij hem in Parijs te voegen, leder individu was waardevol.

Sommige Bolsjewieken onttrokken zich aan het geploeter voor de opbouw van de partij en verloren zich in het cultiveren van mystieke ideeën. In plaats van het bouwen aan de partij ‘bouwden zij aan God’. Lenin trok hiertegen van leer. In tijden van neergang en slinkende ledenaantallen was het extra belangrijk om de filosofische basis van het marxisme helder te in beeld te krijgen.

Dit gold ook voor strategie en tactiek. De tsaar had een soort parlement ingesteld, de Doema. Dat stelde niet veel voor. De stem van een grootgrondbezitter was net zoveel waard als die van 45 arbeiders. Aan de andere kant bood de Doema wel de mogelijkheid om afgevaardigden uit de arbeidersbeweging te kiezen. Sommige Bolsjewieken wilden niets met de Doema te maken hebben. Een van deze mensen was Bogdanov, de auteur van de uitstekende sciencefictionroman Rode Ster. Lenin benadrukte echter de voordelen van deelname. De Bolsjewieken konden de Doema gebruiken als podium voor agitatie en propaganda. Een van de bolsjewistische afgevaardigden, Badajev, zei: ‘We gebruikten de Doema om de massa toe te spreken over de hoofden van de parlementariërs in alle soorten en maten.’13 Later zouden de Bolsjewieken verschillende malen het nepparlement verlaten om deel te nemen aan stakingen en demonstraties.

6. 1912: een arbeiderskrant

Na een serie van grote studentendemonstraties in 1910 steeg het aantal stakingen in 1911 drastisch. De arbeidersbeweging leek te ontwaken uit een lange winterslaap. De Bolsjewieken besloten een dagblad te gaan uitgeven. In plaats van de kleine, obscure publicaties, die vooral intern gericht waren, was het nu de uitdaging om bredere lagen arbeiders te bereiken en hun alledaagse problemen een stem te geven. De Pravda (Russisch voor ‘Waarheid’) werd in april 1912 gelanceerd en kwam dagelijks uit, onder meer om een tegenwicht te bieden aan de leugens van de regering.

De krant kwam als geroepen. Vlak daarvoor waren stakers op de goudvelden aan de Lena aangevallen door de politie, waarbij honderden slachtoffers waren gevallen. Dit gaf het startsein voor een golf van stakingen door heel Rusland. Jarenlang hadden de Bolsjewieken ondergronds geopereerd. Opeens moest dat veranderen. Waar revolutionairen voorheen tegen de stroom in moesten zwemmen, moesten ze nu opeens met de stroom mee. Er waren nieuwe tijden aangebroken.

Het dagblad werd openlijk gedrukt en verspreid binnen Rusland, op straat en in de fabrieken. Het tsaristisch regime kon de krant niet volledig verbieden, maar werkte wel zo veel mogelijk tegen. Activisten moesten allerlei trucs ontwikkelen om de autoriteiten op het verkeerde been te zetten. Als de krant toch verboden werd, verscheen ze onmiddellijk onder een andere naam, bijvoorbeeld De Noordelijke Waarheid.

Lenin wilde dat de krant voornamelijk een organisator zou zijn. Er ontstond al snel een netwerk van activisten en correspondenten die de pagina’s vulden met verslagen vanaf de werkvloer. Op deze manier konden ervaringen van strijd onmiddellijk gedeeld worden met grotere groepen mensen en kon klassenbewustzijn ontstaan.

De kwestie van de financiering was een politiek vraagstuk. De krant werd gefinancierd door de lezers zelf. Hoewel de meeste arbeiders in armoede leefden, vond Lenin dat ze toch op zijn minst bij iedere loonuitbetaling een kopeke (een laagwaardig muntje) zouden moeten kunnen missen.

Lenin was ook niet afkerig van rijke donateurs, maar de reguliere donaties van arbeiders waren voor hem belangrijker. Dit zorgde ervoor dat de arbeiders de krant als hun krant zouden zien, die zonder hun steun zou verdwijnen.

7. Oorlog en Zimmerwald

In 1914 brak de Eerste Wereldoorlog uit tussen de grote Europese machten. Aan de ene kant stonden Groot-Brittannië, Frankrijk en Rusland en aan de andere kant Duitsland en Oostenrijk. Over de mogelijkheid van oorlog was uitgebreid gediscussieerd in de internationale arbeidersbeweging. In 1910 en 1912 was op congressen van de Tweede Internationale (waar alle socialistische partijen in Europa bij waren aangesloten) besloten dat alle partijen zich sterk zouden maken voor vrede.

In augustus 1914 waren echter alleen de socialisten in Rusland en op de Balkan tegen de oorlog. In andere landen steunden zowel vakbonden als partijen plotseling de nationale oorlogsinspanningen. In Groot-Brittannië en Frankrijk kwam het zelfs zover dat socialisten toetraden tot de regering en van hieruit arbeiders ertoe aanzetten om hun dood tegemoet te gaan in de loopgraven.

Kleine groepjes activisten bleven tegen de oorlog agiteren. Zij stelden zichzelf bloot aan staatsrepressie en de woede van nationalistische elementen in hun eigen land. Voor de tegenstanders van de oorlog was het een enorme schok om te ontdekken dat ze opeens geïsoleerd stonden te midden van de oorlogsstemming.

Aanvankelijk geloofde Lenin niet dat de socialistische organisaties gecapituleerd hadden. Maar al snel begon hij te proberen de kleine groepen die zich tegen de oorlog verzetten samen te brengen.

Tegelijkertijd verdiepte Lenin zich in de filosofie, vooral in de werken van de Duitse filosoof Hegel, door wie ook de jonge Karl Marx beïnvloed was.

Van Hegel leerde Lenin dat iedere situatie gezien moest worden als een onderdeel van een onderling verbonden totaliteit. Binnen die totaliteit bestaan echter tegenstellingen die plotselinge kwalitatieve veranderingen kunnen veroorzaken. Lenin omschreef de kern van Hegels methode als volgt: ‘De sprong. De tegenstelling. De onderbreking van geleidelijkheid’.14 Bij Lenin leidde filosofie altijd tot concrete actie.

In september 1915 vond in het Zwitserse plaatsje Zimmerwald een kleine anti-oorlogsconferentie plaats. Alle afgevaardigden samen pasten in vier treinwagons, zo weinig was er over van de Tweede Internationale, die miljoenen arbeiders had vertegenwoordigd.

Lenin benadrukte twee hoofdtaken. De beweging had eenheid nodig, maar bovenal helderheid. Enkele aanwezigen in Zimmerwald geloofden dat de oorlog beëindigd kon worden zonder een revolutionaire omverwerping van het kapitalisme en dat de verraderlijke Tweede Internationale nog te redden was. Lenin stelde echter dat de enige manier om stappen vooruit te zetten een volledige breuk met de Tweede Internationale en een vernietiging van de oude orde was. Deze orde had de oorlog immers veroorzaakt.

Omdat hij de meningsverschillen niet op de spits wilde drijven omwille van het belang van eenheid, stemde Lenin voor de Zimmerwald-resolutie, die volgens hem ‘een stap voorwaarts zette in de strijd tegen het opportunisme’.15 Samen met vijf anderen liet Lenin echter wel weten zijn twijfels te hebben bij de positie van de meerderheid van afgevaardigden. Lenin stelde dat voor de Russische arbeidersklasse, ‘de nederlaag van de tsaristische monarchie … het kleinste kwaad zou zijn.’16 Voor socialisten zou klasse belangrijker moeten zijn dan natie. Hun doel moest altijd zijn om hun eigen heersende klasse aan te vallen. In de woorden van Lenins tijdgenoot, de Duitse anti-oorlogssocialist Karl Liebknecht, ‘De grootste vijand staat in eigen land.’

Lenin was echter niet in staat om zelfs maar leden van zijn eigen partij te overtuigen van dit radicale standpunt.

8. Imperialisme

De hele oorlog lang bleef Lenin argumenteren voor een beter begrip van de situatie. In 1916 schreef hij het boekje Imperialisme, waarin hij de oorzaken van de oorlog analyseerde. Een beter begrip van de oorzaken van oorlog zou tot een effectievere bestrijding ervan moeten leiden.

Marx had al aangetoond dat concurrentie een van de drijfveren van het kapitalisme is. leder kapitalistisch bedrijf moet zijn concurrenten voorbijstreven door goedkoper te produceren en grotere markten aan te boren.

Maar in tegenstelling tot wat kapitalisten graag verkondigen, is concurrentie geen universeel principe. Concurrentie leidt uiteindelijk onvermijdelijk tot monopolievorming. De meest succesvolle bedrijven weten hun concurrenten van de markt te verdringen om ‘effectievere’ bedrijven te vormen met als resultaat de dominantie van enkele grote bedrijven.

Wat Lenin in het bijzonder opviel was dat naarmate kapitalistische bedrijven groeiden, hun behoefte aan grondstoffen, maar ook aan afzetmarkten, meegroeide. Ze konden onmogelijk binnen nationale grenzen blijven opereren, en tegelijk de concurrentie aangaan om de wereldmarkt te domineren. Aan het einde van de negentiende eeuw was dit overduidelijk geworden toen de Europese grootmachten Afrika koloniseerden en de inheemse culturen aan zich onderwierpen. Dat was een gevolg van de logica van het systeem.

Lenin stelde daarom dat het onmogelijk was om te komen tot een humanere vorm van kapitalisme. Hij schreef: ‘De kapitalisten verdelen de wereld niet uit bijzondere boosaardigheid, maar omdat de reeds bereikte graad van concentratie hen ertoe dwingt, ter wille van de winst, deze weg te volgen.’17

Enkele leiders van de Tweede Internationale, zoals Karl Kautsky, hadden gesteld dat de ontwikkeling van het kapitalisme juist zou leiden tot een verminderde kans op oorlog. Die mythe bestaat vandaag de dag nog steeds. Globalisering is daarbij het nieuwe toverwoord dat oorlog zou moeten uitbannen. Lenin stelde daarentegen dat oorlogen zouden blijven bestaan zolang het kapitalisme zich bleef ontwikkelen. Tegenwoordig is het kapitalisme inderdaad multinationaler dan ooit, maar dat betekent nog niet dat de verhoudingen tussen de grote machten harmonieuzer zijn geworden. Integendeel zelfs, concurrentie en conflicten zijn intenser dan ooit.

Veel dingen zijn veranderd sinds Lenins Imperialisme. Het kolonialisme is vrijwel verdwenen. In plaats daarvan kan het imperialisme over het algemeen op een effectievere manier landen in de Derde Wereld uitbuiten, zonder directe politieke controle.

Op de belangrijkste punten heeft Lenin echter gelijk. Perioden van internationale samenwerking zijn slechts intermezzo’s. ‘Vreedzame bondgenootschappen bereiden oorlogen voor en komen op hun beurt uit oorlogen voort.’18

Het kapitalisme leidt nog steeds tot oorlogen, zoals we iedere dag op de journaals kunnen zien.

9. 1917: heroverwegingen

In januari 1917 sprak Lenin op een bijeenkomst in Zürich, waar hij zei: ‘Wij, ouderen, zullen misschien de beslissende slagen van de naderende revolutie niet beleven.’19 Hem wachtte echter een verrassing.

Rusland had meer te lijden van de oorlog dan andere, meer ontwikkelde economieën. In februari brak er een staking uit onder vrouwelijke textielarbeiders in Sint-Petersburg, hoewel de Bolsjewieken hiertegen hadden geadviseerd. Arbeiders leken tot meer actiebereid te zijn dan de partij.

De stakingen breidden zich uit. Na een week zag de tsaar zich gedwongen te vluchten. Er werd een Voorlopige Regering gevormd, die zich onmiddellijk sterk maakte voor universeel kiesrecht en een grondwet. Tijdens de stakingen waren tevens de sovjets, zoals die in 1905 hadden bestaan, weer in het leven geroepen.

Lenin, die nog in Zwitserland was, realiseerde zich dat er een nieuwe fase in de geschiedenis was aangebroken. Hoewel hij al meer dan tien jaar niet meer in Rusland was geweest, was hij nu vastbesloten om terug te keren. Zijn plan was om zich voor te doen als Zweed, maar de Duitse regering gaf hem toestemming om in een beschermde trein door Duitsland terug te reizen. In april kwam hij aan in Petrograd (zoals Sint-Petersburg sinds kort heette).

Geconfronteerd met een geheel nieuwe situatie was Lenin gedwongen om alle fundamenten waarop zijn politieke strategie gebaseerd was te heroverwegen. Tot nu toe had Lenin steeds gesteld dat Rusland nog niet klaar was voor een socialistische revolutie. In tegenstelling tot een aantal Europese staten, kende Rusland nog geen parlementaire democratie en daarom geloofde Lenin dat er eerst een democratische revolutie nodig zou zijn in de stijl van de grote Franse Revolutie van 1789 (marxisten noemen een dergelijke revolutie een ‘burgerlijke revolutie’).

Trotski had al langer betoogd dat Rusland rechtstreeks de stap naar een socialistische omwenteling zou kunnen maken. Hij had al in 1905 de theorie van de permanente revolutie ontwikkeld, waarin hij stelde dat de Russische Revolutie zich onmiddellijk zou kunnen ontwikkelen naar een situatie van arbeidersmacht, op voorwaarde dat de revolutie zich snel zou verspreiden naar andere landen. De Bolsjewieken hadden Trotski hierom verketterd.

Nu kwam Lenin opeens met een soortgelijke stelling op de proppen. Hij voorzag de mogelijkheid van een bolsjewistische machtsovername in de nabije toekomst. Leden van zijn eigen partij reageerden geschokt. Eerst zou Lenin hen moeten overtuigen. Lenin moest ook zijn positie bepalen ten opzichte van de boeren. De arbeidersklasse was immers nog steeds maar klein vergeleken met de boerenbevolking. Massale boerenopstanden braken uit na de Februarirevolutie. Lenin realiseerde zich dat deze strijd verbonden zou moeten worden met de strijd in de steden. Dat betekende het ondersteunen van de boereneis om het land eerlijk te verdelen onder de landarbeiders. De Bolsjewieken namen de leus ‘al het land aan de boeren’ aan. Een leuze die oorspronkelijk werd gevoerd door de Sociaal-Revolutionairen (opvolgers van de Narodniki).

Het leger, dat voornamelijk bestond uit boeren, verlangde naar vrede. In het jaar 1917 deserteerden meer dan een miljoen soldaten. De boeren eisten hun eigen land. De arbeiders in de steden eisten eten. De leuze van de Bolsjewieken werd ‘land, brood en vrede’.

10. Dubbele macht

De revolutie begon als een spontane opstand, maar kon niet zo eindigen. Sommige arbeiders waren bereid verder te gaan dan andere. De oude heersende klasse buitte deze tegenstelling gretig uit. De partij moest de belangen van de gehele klasse vertegenwoordigen. Zoals Victor Serge het stelde: ‘De partij vormt het zenuwstelsel en de hersenen van de arbeidersklasse.’20

Lenin had in deze periode een dubbele rol. Hij moest zijn aandacht richten op de partij en hierin een aanjagende rol spelen, maar hij moest ook gericht zijn op de arbeidersmassa’s die niet gebonden waren aan de partij. Hij realiseerde zich maar al te goed dat zonder hen een revolutie geen enkele kans van slagen zou hebben. De Bolsjewieken waren gegroeid omdat velen zich de rol herinnerden die de partij in voorgaande perioden van strijd had gespeeld. Maar omdat de partij diep geworteld was in de klasse, waren ook de tegenstellingen binnen de klasse zichtbaar in de partij. Lenin moest steeds afwegen welke stroming hij moest ondersteunen en welke hij moest afremmen.

Het was zijn eerste taak de partij klaar te stomen voor het gevecht. Net zoals in 1905 wilden de Bolsjewieken de meest militante elementen uit de arbeidersbeweging voor zich winnen. De partij groeide gestaag gedurende 1917. Aan het begin van dat jaar telde ze nog geen vijfduizend leden, aan het einde van het jaar waren de Bolsjewieken een massapartij met 250 duizend leden. In één enkele stad (Ivanovo-Voznesensk) groeide het aantal leden in enkele maanden van tien naar vijfduizend.

De Bolsjewieken waren geen bureaucratische organisatie, waar iedereen blindelings orders van bovenaf opvolgde. In de lente van 1917 bestond het partijkantoor uit twee kleine kamers waar zes medewerkers het secretariaat draaiende hielden. Vaak was chaos troef. Leden werden erin getraind om initiatieven te nemen in plaats van simpelweg orders te op volgen.

In mei kwam Trotski in Rusland aan. Hoewel hij en Lenin in het verleden vaak van mening hadden verschild, verdwenen deze onderlinge verschillen nu naar de achtergrond. Lenin wist wanneer hij de zaak op de spits moest drijven en wanneer hij juist moest streven naar eenheid. In de zomer sloten Trotski en zijn volgelingen zich aan bij de Bolsjewieken. Trotski werd onmiddellijk gekozen in het Centraal Comité.

Ook de Bolsjewieken hadden bondgenoten nodig. De Mensjewieken hadden afgedaan (zij bleven volhouden dat de macht in handen van de bourgeoisie zou moeten blijven en zwenkten van links naar rechts, terwijl ze steun bleven verliezen). De Sociaal-Revolutionairen raakten steeds verder verdeeld over hun houding ten opzichte van de Voorlopige Regering. Hun linkervleugel trok steeds dichter naar de Bolsjewieken toe.

Het waren verwarrende tijden. Lenin noemde de situatie er een van ‘dubbele macht’.21 Geen enkele instantie had het land onder controle. Aan de ene kant stond de Voorlopige Regering, die weigerde de economische macht van de kapitalistische klasse aan te pakken, aan de andere kant stonden de sovjets, die op lokaal niveau en op de werkplekken de boel bestuurden. In sommige fabrieken werden de voormalige bazen symbolisch in kruiwagens de fabriek uit gereden.

De partij moest knokken voor haar ideeën binnen de organisaties van de klasse als geheel. In de sovjets zaten immers aanhangers van alle politieke partijen.

Lenin benadrukte dat zijn partij geduld moest bewaren bij het uitleggen van de politieke lijn. In plaats van ‘het propageren van holle revolutionaire frasen’, zouden de Bolsjewieken zich moeten toeleggen op ‘kameraadschappelijke overtuiging’.22

Tijdens de zomer deden zich twee grote uitdagingen voor. In juli vond er in Petrograd een massademonstratie van arbeiders plaats, waar geëist werd dat de macht onmiddellijk zou worden overgedragen aan de sovjets. De Bolsjewieken probeerden deze beweging voorwaarts af te remmen. Zij waren ervan overtuigd dat als die stap nu zou worden gezet, de macht nooit behouden zou kunnen worden. De meerderheid van arbeiders had hiervoor meer tijd nodig.

Aan het einde van de zomer deed zich een poging tot staatsgreep voor van de rechtse legerofficier Kornilov. Zijn doel was de omverwerping van de Voorlopige Regering en de vestiging van een nieuwe dictatuur. De Bolsjewieken wisten duizenden arbeiders te mobiliseren ter verdediging van Petrograd.

Spoorwegarbeiders maakten sporen onklaar, terwijl anderen regimenten van Kornilov ervan wisten te overtuigen de wapens neer te leggen. Zijn troepen weigerden Petrograd aan te vallen en Kornilov werd gearresteerd. Lenin maakte direct duidelijk dat de Bolsjewieken hadden opgetreden tegen Kornilov en zeker niet uit steunbetuiging aan de Voorlopige Regering. De gebeurtenissen ondermijnden de Voorlopige Regering en vergrootten de steun voor de Bolsjewieken.

11. Staat en revolutie

Voor Lenin waren theorie en praktijk altijd onlosmakelijk met elkaar verbonden. Het had geen zin ideeën na te jagen, tenzij dit tot actie zou leiden. Maar zelfs de meest enthousiaste activiteit was zinloos, als er geen begrip aan ten grondslag lag over hoe de maatschappij kan veranderen.

In juli moest Lenin onderduiken. De paar weken van relatieve rust gebruikte hij om zijn belangrijkste boek, Staat en revolutie, te schrijven (mocht je ooit een boek van Lenin willen lezen, kies dan dit). Bij publicatie deed het boek een hoop stof opwaaien onder zogenaamde ‘orthodoxe marxisten’, maar het viel in goede aarde bij anarchisten.

Bij het behandelen van de rol van de staat raakte Lenin de kern van de vraag wat socialisme inhoudt. De tegenstanders van het socialisme (en ook sommige voorstanders) stelden het gelijk met staatseigendom. Het werd hierdoor maar al te makkelijk om bepaalde samenlevingen als ‘socialistisch’ te omschrijven, simpelweg omdat delen van de economie genationaliseerd waren.

Lenin ging de strijd aan met deze visie. Hij stelde dat in een klassenmaatschappij de staat niets anders is dan ‘een orgaan ter onderdrukking van de ene klasse door de andere’.23 De staat bestaat uit alle repressieve instellingen die ervoor zorgen dat de bestaande eigendoms- en uitbuitingsverhoudingen in stand blijven. De staat beschikt over ‘afdelingen van gewapenden die gevangenissen en dergelijke tot hun beschikking hebben’.24 Deze instellingen zijn niet neutraal. De wet behandelt rijken en armen niet gelijk, integendeel, ze is opgesteld om de belangen van de rijken en machtigen te behartigen. Lenin schreef in de traditie van Marx, die in het Communistisch Manifest al had gezegd: ‘Het moderne staatsapparaat is slechts een comité, dat de gemeenschappelijke zaken van de gehele bourgeoisklasse beheert.’ 25

Daarom zou het voor socialisten niet genoeg zijn om simpelweg de bestaande staatsstructuren over te nemen. Zo omschreef Lenin het parlement als een ‘zwijnenstal’, die ons toestaat om ‘een keer in de zoveel jaren te beslissen welk lid van de heersende klasse het volk in het parlement onder de duim zal houden en onderdrukken’.26 Wat revolutionairen onderscheidt van reformisten is de overtuiging dat het staatsapparaat ‘stukgeslagen’ dient te worden.27 Hiervoor is een ‘gewelddadige revolutie’ nodig.28

Maar wat zou er dan voor de staat in de plaats moeten komen? Anarchisten dachten dat de staat kon worden afgeschaft en er direct daarna een vrije staatloze maatschappij kon worden gevestigd. Voor Lenin was duidelijk dat dit helaas niet mogelijk was. Als de arbeidersklasse de macht zou overnemen, zouden de andere klassen immers terugvechten om hun oude positie te heroveren. De arbeidersklasse zou eerst een eigen staat nodig hebben om de contrarevolutie het hoofd te kunnen bieden. Lenin noemde deze fase de ‘dictatuur van het proletariaat’.29 ‘Arbeidersmacht’ is een meer voor de hand liggende omschrijving.

Uiteindelijk, zo stelde Lenin, kon de maatschappij worden gereorganiseerd en de welvaart worden herverdeeld. Kapitalistische verspilling zou vervangen worden door veel effectievere productiemethoden die aan menselijke behoeften zouden voldoen. Klassen zouden verdwijnen en iedereen zou zowel een arbeider zijn, die een nuttige bijdrage zou leveren aan de maatschappij, als een bestuurder, die onderdeel was van het democratische proces en de besluitvorming over het gebruik van maatschappelijke krachten. De staat zou overbodig worden en ‘afsterven’.30 Lenin vatte zijn betoog ten slotte samen met de woorden: ‘Zolang er een staat is, is er geen vrijheid. Wanneer er vrijheid zal bestaan, zal er geen staat bestaan’.31 Lenins doel kwam overeen met dat van de anarchisten, maar hij zag wel in dat dit een ingewikkeld proces zou zijn.

In zijn analyse maakte Lenin gebruik van verschillende historische voorbeelden, in het bijzonder de Parijse Commune van 1871. Hier hadden arbeiders de stad overgenomen en tien dagen bestuurd, alvorens ze werden afgeslacht door troepen van buitenaf. Alle leden van de regering hadden hetzelfde salaris ontvangen als het gemiddelde arbeidersloon en konden te allen tijde worden afgezet door de kiezers. Deze vorm kwam overeen met de democratie in de sovjets. Voor 1917 was dit het enige historische voorbeeld van arbeidersmacht en ondanks de korte duur ervan vormde het een belangrijke les.

Staat en revolutie is nooit afgemaakt. Lenin werd gedwongen zich weer in de strijd te storten. Zoals hij stelde in de conclusie: ‘Het is aangenamer en nuttiger de “ervaringen van de revolutie” mee te maken dan er over te schrijven’.32

12. Het juiste moment voor de opstand?

Tijdens de zomer van 1917 weerstond Lenin de druk van diegenen die vroegtijdig de macht wilden grijpen. In de herfst leek de tijd echter rijp. De tijd om beslissend te handelen voor het te laat was leek voor de revolutionairen te zijn aangebroken. Lenin benadrukte dit keer op keer in artikelen. Er was geen tijd te verliezen, de opstand moest worden voorbereid. In oktober schreef hij aan het Centraal Comité dat het een ‘misdaad’ zou zijn om langer te wachten.33

Op straat broeide er iets. Arbeiders werden ongeduldig en lazen Lenins artikelen als ‘De crisis is compleet’.34 Grote veranderingen hingen in de lucht, maar een gecentraliseerde kracht was nodig om richting te geven en alle krachten te bundelen.

Twee leden van het Centraal Comité, Kamenev en Zinovjev, waren tegen de plannen van Lenin. Zij schreven hierover in een niet-bolsjewistische krant. Dit was een zeer gevaarlijke onderneming die het hele plan had kunnen doen mislukken. Lenin was woedend, maar het lukte hem niet om de twee te laten royeren uit de partij. De mythe dat Lenin een genadeloze dictator was die zijn partij in zijn eentje leidde wordt door dit soort incidenten weerlegd.

In Petrograd werd een militair comité opgericht door de sovjet, onder leiding van Lev Trotski. Van de 60 leden waren 48 Bolsjewieken, een aantal Sociaal-Revolutionairen en vier anarchisten. Lenin, die zijn hele leven had besteed aan de opbouw van de partij, wilde dat de Bolsjewieken zelf de opstand zouden uitroepen. Trotski wist hem ervan te overtuigen dat die oproep van de sovjets moest komen, simpelweg omdat deze een breder draagvlak hadden onder de bevolking. Lenin was geen tiran, zijn bereidheid om te luisteren naar anderen maakte hem een groot leider. In tegenstelling tot de tsaar, die miljoenen onderdanen de dood in had gejaagd tijdens de oorlog, was Lenin voorzichtig met mensenlevens. Omdat de revolutionairen vastberaden waren en lieten zien nergens voor terug te deinzen, was het aantal slachtoffers minimaal. Tien jaar na de revolutie maakte de beroemde regisseur Eisenstein een film over de gebeurtenissen. Er wordt gezegd dat bij het maken van die film meer mensen de dood vonden dan bij de opstand in Petrograd.

Binnen een dag stortte de Voorlopige Regering in en grepen de Bolsjewieken de macht. Op andere plekken in Rusland was het verzet groter en vielen er meer slachtoffers. De dag na de opstand sprak Lenin de sovjet van Petrograd toe: ‘In Rusland moeten wij nu een begin maken met de opbouw van de proletarische socialistische staat’.35

13. De vruchten van de overwinning

De nieuwe staatsstructuur was gebaseerd op de sovjets. Lenin werd hoofd van de nieuwe regering. Door critici wordt vaak gezegd dat Lenin een machtswellusteling moet zijn geweest. Het moet voor hen dan ook opvallend zijn dat Lenin zijn nieuwe positie eigenlijk helemaal niet wilde. Hij probeerde Trotski zover te krijgen om die taak op zich te nemen, maar die weigerde.36

Het nieuwe regime voerde meteen radicale en verregaande hervormingen door. Een van de eerste maatregelen gaf arbeiders de controle over de fabrieken.

Privé-eigendom van land werd afgeschaft zonder compensatie. Het recht op het gebruik van het land werd gegeven aan diegenen die het bewerkten. Na een heftig debat in de partij werd ook een vredesverdrag getekend met Duitsland. Eindelijk was de oorlog voorbij.

Naties die voorheen onderdrukt werden binnen het Russische rijk kregen nu de kans op zelfbeschikking. Er werden in de eerste jaren na de revolutie vijf nieuwe onafhankelijke staten werden gesticht. Binnen de Russische federatie ontstonden zeventien autonome republieken en regio’s.

Het oude rechtssysteem werd afgeschaft en vervangen door een nieuw stelsel. Volksrechtbanken met gekozen rechters werden in het leven geroepen.

Vrouwen kregen volledig kiesrecht, burgerschap, gelijke betaling en gelijke rechten op werk. Aanpassingen in de wet hadden grote invloed op het kerngezin. Zo werd echtscheiding door gezamenlijke overeenstemming mogelijk. Een wetgever omschreef dit als volgt: ‘Het huwelijk mag niet langer een kooi zijn, waarin man en vrouw samenleven als veroordeelden.’ Discriminatie tegen buitenechtelijke kinderen werd aangepakt. In 1920 werd Rusland het eerste land ter wereld waarin abortus werd gelegaliseerd. Homoseksualiteit was niet langer een misdaad. Dergelijke maatregelen maakten Rusland progressiever dan veel zogenaamd ontwikkelde landen in West-Europa.

Binnen een jaar steeg het aantal scholen met 50 procent en gingen er campagnes van start om analfabetisme uit te bannen. Om het hoger onderwijs toegankelijker te maken werd het lesgeld hiervoor afgeschaft. Examens werden afgeschaft en het simpelweg uit het hoofd leren van lesjes werd sterk verminderd. Studeren werd gecombineerd met praktisch handwerk en het hele schoolwezen werd gedemocratiseerd, waarbij alle leerlingen boven de 12 jaar een participerende taak kregen. Lenin zelf besteedde veel tijd aan het uitbreiden van het aantal bibliotheken.

Regeringsmaatregelen konden slechts een basis leggen voor verdere ontwikkeling. Het uitbannen van ongeletterdheid, bijgeloof en reactionaire ideeën zou langer duren. Lenin benadrukte keer op keer de zelfemancipatie van de arbeidersklasse. ‘De revolutie moet onafhankelijke initiatieven van de arbeiders en andere onderdrukte groepen zo veelzijdig en creatief mogelijk kunnen ontwikkelen. We moeten koste wat kost de oude, absurde, onderontwikkelde, belachelijke en afgrijselijke vooroordelen doorbreken dat alleen de zogenoemde “hogere klassen”, alleen de rijken en alleen diegenen die de scholen van de rijken hebben bezocht, in staat zijn om het land te besturen of de opbouw van de socialistische maatschappij in goede banen te leiden’.37 Ondanks de verschrikkelijke ontberingen van de postrevolutionaire periode, hadden veel mensen wel het gevoel verlost te zijn van de beperkingen van de oude maatschappij. Documentatie uit die periode leert ons dat arbeiders na een dag werken in de fabriek zich bezighielden met het improviseren en produceren van toneelstukken of het volgen van poëzielessen.

Het revolutionaire Rusland kende een explosie van vernieuwing en experimenten in de literatuur, de schilderkunst en de film. De positie van de kunstenaar in de maatschappij veranderde. De dichter Majakovski zei het zo: ‘Straten zullen we gebruiken als kwasten / Onze paletten zijn de pleinen met hun grote open ruimtes’.

14. De breekbare arbeidersstaat

De nieuwe maatschappij stond voor grote problemen. De Eerste Wereldoorlog en tsaristisch wanbeleid hadden de economie in puin achtergelaten. De Russische arbeidersklasse was nog jong. De meeste arbeiders waren kinderen van boeren die naar de stad waren getrokken. Velen van hen waren analfabeet. De arbeidersklasse was nog altijd in de minderheid, te midden van een meerderheid van boeren.

Lenin was ervan overtuigd dat er nooit een planeconomie zou kunnen komen zonder de meerderheid van de werkende bevolking erbij te betrekken. Een krant tekende uit zijn mond op: ‘Er was geen definitief uitgewerkt plan voor de organisatie van de economie en dat kon er ook nooit zijn. Niemand kon zoiets maken. Maar het zou kunnen ontstaan van onderaf. Door de massa’s en hun ervaringen. Instructies en advies zouden natuurlijk gegeven worden, maar het proces moet zowel van onder- als van bovenaf van start gaan.’38

Met andere woorden, er zou geen ‘economische planning’ kunnen zijn zonder arbeidersdemocratie. De geschiedenis zou Lenins gelijk hierin bewijzen. Op momenten dat economische planning werd toegepast van bovenaf, zonder betrokkenheid van onderaf, is gebleken dat ‘socialisme’ niet meer was dan een groteske, autoritaire karikatuur.

De arbeiders op wie Lenin had geleund waren opgegroeid in een maatschappij die ze afgestompt en verdoofd had. Lenin had in 1919 al gezegd dat het socialisme moest worden opgebouwd met ‘de mensen die het kapitalisme heeft opgevoed, bedorven en gedemoraliseerd’.39 Rusland was zowel cultureel als economisch minder ontwikkeld dan andere landen in Europa. Daarbij was de economie geruïneerd door de oorlog. Vanaf het begin moesten de Bolsjewieken tot op zekere hoogte zichzelf in de plaats stellen van de arbeidersmassa.

Er bestond een groot tekort aan revolutionaire activisten met de ervaring om administratieve werkzaamheden te verrichten. Diegenen die dat wel konden, kregen vaak verschillende taken tegelijkertijd. Victor Serge, een Belgische revolutionair die naar Rusland was gekomen om de revolutie te steunen, werkte als journalist, leraar, schoolinspecteur, vertaler, wapenvervoerder en archivaris.

Het gebrek aan ervaring was nog het meest voelbaar in het veiligheidsapparaat van de staat. Het nieuwe regime creëerde de Tsjeka (Russische buitengewone commissie voor het bestrijden van contrarevolutionaire activiteiten en spionage). Dit was ongetwijfeld noodzakelijk. Veel van de voormalige heersende elementen saboteerden de nieuwe staat. Zij moesten tegengehouden worden. Maar al te vaak waren de Tsjeka-medewerkers bureaucraten die weinig ophadden met socialistische principes en die hun autoriteit misbruikten. Veel onschuldige mensen hebben geleden als gevolg van de Tsjeka. Men was er duidelijk over dat het in het leven roepen van een dergelijke organisatie een noodmaatregel was. Op voorspraak van Lenin werd de Tsjeka in 1922 vervangen door een organisatie met beperktere bevoegdheden.

Sommige revolutionairen verwachten té snel té veel. In 1917 hadden arbeiders zich georganiseerd in fabriekscomités, waarin Bolsjewieken vaak een belangrijke rol speelden. Maar dergelijke comités vertegenwoordigden meestal de belangen van een bepaalde groep arbeiders, in plaats van de klasse in haar geheel. In maart 1918 beschreef Sjljapnikov (later aanvoerder van de arbeidersoppositie) de chaos die was ontstaan als gevolg van arbeiderscontrole over de spoorwegen.40 Dit stond rechtstreeks tegenover het belang van de gehele arbeidersklasse, die juist baat zou hebben bij een effectief transportsysteem. Hoewel de Bolsjewieken in principe arbeiderscontrole ondersteunden, zagen ze zich toch gedwongen om de fabriekscomités te integreren in de vakbonden.

Als Rusland zou hebben bestaan als een geïsoleerd gebied, zouden de verschillende problemen wellicht binnen enkele jaren zijn verdwenen. De Europese supermachten konden de revolutie echter niet toestaan. Zij wisten hoezeer het revolutionaire Rusland tot de verbeelding sprak bij arbeiders wereldwijd. Voor de Europese arbeiders, die oorlogsmoe waren, was Rusland een voorbeeld.

Op de dag van de wapenstilstand in 1918 had Winston Churchill het Britse kabinet nog toegesproken over de mogelijkheid het Duitse leger te helpen opbouwen als bondgenoot in de strijd tegen het bolsjewisme. Twee weken later zei hij op een bijeenkomst: ‘De menselijke beschaving wordt systematisch uitgeroeid over grote oppervlaktes, terwijl de Bolsjewieken als losgeslagen bavianen rondspringen over de ruïnes van de steden en de lichamen van hun slachtoffers.’41

Tot 1920 woedde in Rusland een bloedige burgeroorlog. Eigenlijk is ‘burgeroorlog’ geen goede omschrijving, want het waren voornamelijk buitenlandse troepen die in Rusland vochten. Troepen uit Groot-Brittannië, Frankrijk, Canada, Amerika en zeventien andere landen vochten zij aan zij met verschillende meedogenloze en corrupte elementen van de oude heersende orde in Rusland, die door de revolutie hun positie waren kwijtgeraakt.

Petrograd viel tot twee keer toe bijna in handen van de reactionairen. Lenin overwoog de mogelijkheid om weer ondergronds te gaan opereren. 42

De mensen die Lenin in een kwaad daglicht willen zetten, zoals de auteurs van Het zwartboek van het communisme, komen met citaten die hem neerzetten als een bloeddorstige bruut. In augustus 1918 stuurde Lenin een telegram waarin hij aangaf hoe om te gaan met een opstand van koelakken (relatief welvarende boeren, die lijnrecht tegenover arme boeren stonden):

‘De opstand van koelakken in de vijf districten moet zonder mededogen worden neergeslagen. Het belang van de gehele revolutie vraagt om dergelijke maatregelen, want de laatste strijd met de koelakken is nu begonnen. We moeten een voorbeeld stellen. (1) Het ophangen (en ik bedoel publiekelijk ophangen, zodat mensen het kunnen zien) van ten minste honderd koelakken, rijke klootzakken en welbekende bloedzuigers. (2) Publiceer hun namen. (3) Vorder hun graan. (4) Executeer de gijzelaars, volgens het telegram van gisteren’.43

Dit lijkt een afgrijselijk citaat als het uit zijn context wordt gehaald. Er woedde een bloedige oorlog en de contrarevolutionairen pasten op veel grotere schaal terreur toe dan de Bolsjewieken. De Amerikaanse legeraanvoerder in Siberië in 1919, generaal William S. Graves, verklaarde dat ‘men veilig kan stellen dat er tegenover iedere honderd moorden van de antibolsjewistische krachten een van de Bolsjewieken staat’. 44 Lenin was geen pacifist. Hij zette alles op alles voor een bolsjewistische overwinning. De schrijvers van Het zwartboek zijn niet bijzonder gebrand op het veroordelen van het geweld van Bush, Blair of Sharon. Het is voor hen makkelijker om Lenin te veroordelen.

De contrarevolutionairen waren corrupt en antisemitisch. Hun doel was een terugkeer naar de oude orde. De burgeroorlog werd uiteindelijk beslist door de toewijding en moed van de Bolsjewieken, die hun revolutie verdedigden.

Lenin speelde een cruciale rol in het geven van politieke richting binnen de partij. Hij was echter niet bepaald een tiran.Vooral in de maanden na de revolutie waren de bolsjewistische leiders vaak diep verdeeld over belangrijke kwesties. Lenin verdedigde soms de minderheidspositie en moest dan heftig discussiëren om zijn punt te winnen.

Lenin keek niet neer op kleine taken.Veel van zijn tijd ging op aan kleine administratieve details. In tegenstelling tot hedendaagse dictators werd Lenin heel slecht beveiligd. Zijn auto werd eens aangevallen door rovers, waarop hij gedwongen werd het voertuig te verlaten, terwijl de rovers ermee wegreden. Het duurde een tijd voordat er hulp kwam.

Hij was niet uit op persoonlijke verrijking. In 1918 sprak hij zijn ernstige verontwaardiging uit toen de Raad voor Volkscommissarissen zijn salaris verhoogde.45 Er bestaat een brief van Lenin, waarin hij een bibliothecaris toestemming vraagt om een aantal boeken wat langer te lenen dan officieel is toegestaan, op voorwaarde dat de boeken de volgende dag zo vroeg mogelijk zullen worden teruggebracht.46 Het is moeilijk voor te stellen dat Stalin of Saddam Hussein een dergelijk respect zouden tonen voor de regels in de bibliotheek.

15. De internationale beweging

Lenin was altijd van mening geweest dat de socialistische revolutie in Rusland geen kans van slagen zou hebben als er geen snelle verspreiding van die revolutie zou plaatsvinden. In december 1917 schreef hij: ‘Daarom is de in Rusland uitgebroken socialistische revolutie slechts het begin van de socialistische wereldrevolutie.’47 Een arbeidersstaat in Duitsland zou Rusland op economisch vlak enorm hebben geholpen.

De hoop op een snelle verspreiding van de revolutie was realistisch. De vooruitzichten aan het einde van de Eerste Wereldoorlog waren goed. Na vier jaar liet de arbeidersklasse zien genoeg te hebben van een systeem dat zoveel dood en vernietiging met zich meebracht. In de periode van 1918 tot 1920 waren stakingen, muiterijen, fabrieksbezettingen en arbeiders- en soldatenraden aan de orde van de dag. Met name het verslagen Duitsland leek rijp voor revolutie.

Het probleem lag bij de leiding. Bijna alle oude leiders van de arbeidersbeweging hadden de oorlog gesteund. Hoewel er een nieuwe generatie activisten was opgestaan, was er weinig ervaring. Nergens was er echt een partij zoals de Bolsjewieken, met ervaring, leiding en wortels in de arbeidersklasse. In januari 1919 werd de Duitse socialiste Rosa Luxemburg vermoord. Zij was een van de weinige leiders die zich had kunnen meten met Lenin.

Volgens Lenin had het geen zin om te proberen de Tweede Internationale nieuw leven in te blazen. Er moest een nieuwe Internationale worden opgebouwd. In maart 1919 werd op een conferentie in Moskou de Derde Communistische Internationale opgericht. In de drie jaar daarna zouden er nog drie conferenties worden gehouden en steeds meer organisaties sloten zich aan bij de Derde Internationale.

Voor 1914 was er sprake van een diepe kloof in de arbeidersbeweging met aan de ene kant de marxisten en aan de andere kant de anarchisten en syndicalisten. Anarchisten en syndicalisten hadden de Russische Revolutie ondersteund. Lenin was erop gebrand deze steun te behouden. Hij besteedde uren aan discussies met bekende anarchisten als Emma Goldman uit de Verenigde Staten en Machno uit de Oekraïne.

Toen in 1920 ook syndicalisten zich lieten zien in Moskou, werden ze door sommige Bolsjewieken soms wat wantrouwend ontvangen. Lenin was veel positiever. Hij stelde dat het syndicalistische idee van een ‘georganiseerde minderheid’ van de meest militante arbeiders veel overeenkomsten had met het bolsjewistische idee van de partij.48 In deze strategie kon ook Trotski zich vinden. De meeste Bolsjewieken waren echter sceptisch.

Lenin maakte zich zorgen over een fenomeen dat hij ‘links communisme’ noemde. In een periode van toenemende strijd sloten veel nieuwe mensen zich aan bij het verzet. Omdat zij meestal niet de ervaring hadden van perioden van terugslagen of onderdrukking, onderschatten ze vaak de moeilijkheden van het mobiliseren van de meerderheid van de arbeiders. Veel nieuwe activisten dachten omdat zijzelf erachter waren gekomen dat de parlementaire democratie vals was dat alle andere arbeiders hier ook van overtuigd zouden raken. Revolutionairen zouden dus geen deel moeten nemen aan verkiezingen. Lenin herinnerde hen eraan dat miljoenen arbeiders nog steeds geloofden in een parlement: ‘Het komt er juist op aan, dat wij datgene, dat voor ons heeft afgedaan, niet als afgedaan beschouwen voor de massa’s.’49

Hij probeerde de Britse Communistische Partij ervan te overtuigen aansluiting te zoeken bij de Labour-partij en de arbeiders die nog steeds vertrouwen stelden in deze partij, ook al was de leiding rechts. Lenin achtte het van belang dat de communisten de vrijheid behielden om ‘de verraders van de arbeidersklasse te ontmaskeren en te bekritiseren’. Hij stelde dat het een overwinning zou zijn als de communisten uit de Labour-partij zouden worden gezet.50 Het belangrijkste was niet de organisatorische vorm, maar het de verspreiding van communistische ideeën.

Sommige revolutionairen wilden hun activiteiten binnen de vakbonden in het geheel staken, omdat de bureaucratie corrupt en reactionair was. Lenin ging zo ver om te stellen dat revolutionairen die met royement werden bedreigd ‘alle mogelijke listen, kunstgrepen en illegale methoden moeten toepassen’ om in de bonden te blijven.51

Dit citaat wordt vaak buiten de context gebruikt om Lenin in een kwaad daglicht te stellen, alsof hij oneerlijkheid in het algemeen voorstond. Het tegendeel was waar: Lenin stond erop de waarheid aan de arbeidersklasse te vertellen. Wat hij bedoelde was gewoon dat als de bondsbureaucratie erop uit was om revolutionairen koste wat kost uit de bonden te weren, zij hun lidmaatschap van de partij stil moesten houden zodat ze in de bond zouden kunnen blijven. ‘Als men de massa wil helpen en de sympathie, de genegenheid, de ondersteuning van de massa’s wil verwerven, mag men geen moeilijkheden vrezen, mag men niet bang zijn voor chicanes, voetangels, beledigingen en vervolgingen van de kant van de leiders en moet men beslist daar werken, waar de massa’s zijn.’52

Lenin wist goed wat hij wilde, maar hij was niet te beroerd om te leren van de beweging. De Franse syndicalist Alfred Rosmer beschreef zijn eerste ontmoeting met Lenin, die een artikel had geschreven waarin hij de Franse Socialistische Partij opriep om zich onmiddellijk te splitsen en een Communistische Partij te vormen. Rosmer legde uit dat het veel beter zou zijn om hiermee te wachten, totdat de meerderheid voor dit standpunt zou zijn gewonnen. Lenin antwoordde: ‘Dan zal ik wel wat doms hebben geschreven’, en hij paste zijn artikel aan.53 Lenin was een leider die wist wanneer hij moest luisteren en wanneer hij van mening moest veranderen. Dit staat in schril contrast met de houding van politici van vandaag, voor wie een fout erkennen gelijk staat aan een nederlaag.

In zijn laatste toespraak tot de Communistische Internationale in 1922 waarschuwde Lenin voor het gevaar om het Russische voorbeeld in andere landen te willen herhalen. Hij benadrukte dat het voor revolutionairen belangrijk was om overal de concrete omstandigheden te analyseren en op basis daarvan te handelen:

‘De resolutie is te Russisch, zij weerspiegelt de Russische ervaring, daarom hebben de buitenlandse partijgenoten haar niet begrepen, daarom kunnen de buitenlanders er niet mee volstaan haar als een heiligenbeeld aan de muur te hangen en er hun gebed voor uit te spreken.’54

16. Terugtrekking en NEP

De Duitse Communistische Partij miste een krachtige leiding en zwenkte van links naar rechts. Zij was niet in staat om een lange sociale crisis om te zetten in een succesvolle revolutie. Rusland bleef geïsoleerd. De Bolsjewieken wonnen de burgeroorlog en behielden de macht, zij het dat er een zware prijs betaald werd. De economie lag in puin. De arbeidersklasse zelf was uitgedund tot een derde van zijn grootte in 1917.Veel van de meest militante arbeiders hadden de fabriek verlaten voor het leger. Veel van hen kwamen ook niet meer terug. Anderen werden werkloos en gingen terug naar hun familie op het platteland, waar tenminste nog wat te eten was. De sovjets waren nog slechts schimmen van zichzelf.

De Bolsjewieken konden niet simpelweg de macht weer inleveren. Zij zouden hiermee een aanval riskeren van de oude heersende orde op alle arbeidersorganisaties. Ze hadden geen andere mogelijkheid dan het vasthouden van de macht in de hoop op revolutionaire omwentelingen in het Westen.

Het was niet verrassend dat er onrust ontstond onder de bevolking. Het ernstigste incident vond plaats in 1921. Matrozen op de marinebasis Kronstadt, nabij Petrograd, kwamen in opstand. Ze riepen op tot een ‘derde revolutie’ en verschillende van hun eisen waren gerechtvaardigd.

Maar de ‘derde revolutie’ bleek slechts fantasie te zijn en de opstand bedreigde het bolsjewistische regime. Als de opstand succesvol was geweest, was het resultaat niet een meer democratische maatschappij geweest, maar een terugkeer naar de oude situatie. Er werd besloten militair op te treden. Dit was het dieptepunt van het bolsjewisme, maar er was geen alternatief.

Lenin wist dat militaire maatregelen niet het echte probleem zouden oplossen. Hij omschreef de gebeurtenissen in Kronstadt ‘als een bliksemschicht die een schril licht wierp op de realiteit’.55 Weer toonde hij aan dat hij op onverwachte gebeurtenissen kon reageren en de noodzakelijke maatregelen wist te treffen. De Russische economie stortte in omdat de bolsjewistische functionarissen niet in staat waren om verschillende sectoren draaiende te houden. Er was geen acceptabele balans tussen stad en platteland. Lenin introduceerde de NEP (Nieuwe Economische Politiek). Graanonteigeningen van boeren werden vervangen door een vorm van belasting die de boeren moest stimuleren meer te produceren. Privé-bezit werd weer gedeeltelijk toegestaan en nieuwe mogelijkheden voor particuliere handel en kleinschalige productie creëerden een nieuwe handelsklasse.

Dit beleid wist de economische malaise af te wenden. Victor Serge herinnert zich: ‘De Nieuwe Economische Politiek wierp al binnen enkele maanden vruchten af. Van de ene op de andere week was er geen sprake meer van hongersnood’.56 Deze oplossing betekende een schok voor velen. Juist Lenins socialistische principes hadden hem in staat gesteld om een dergelijke terugtrekking te initiëren. Hij gaf toe dat de hoofduitdaging bestond uit de vraag: ‘Kun je de economie net zo goed besturen als de rest? De oude kapitalisten kunnen dat – jij niet.’ En dus stelde hij: ‘Naast ons handelt de kapitalist, hij gaat als een rover te werk, hij maakt winst, maar hij heeft verstand van de zaak.’57

De NEP was een tijdelijke stap terug, niet een overgave aan het kapitalisme. Lenin rekende nog steeds op de internationale revolutie om Rusland uit zijn isolement te halen.

17. De laatste strijd van Lenin

In 1922 was Lenin al heel ziek. Overwerk en verwondingen als gevolg van een aanslag op zijn leven hadden hun sporen duidelijk nagelaten. Hij wist dat hij de moeilijkste fase van de revolutie niet zou meemaken.

Ook baarde de ontwikkeling van de revolutie hem grote zorgen. Omdat de arbeidersklasse in de burgeroorlog hevig was uitgedund, ontstond zowel binnen als buiten de partij een proces van bureaucratisering, dat de principes van arbeidersdemocratie naar de achtergrond drukte. Ook begon nationalisme weer de kop op te steken.

Lenin gooide zijn hele gewicht in de strijd tegen de bureaucratie. In een van zijn laatste artikelen, ‘Liever minder, maar beter’, noemde hij het staatsapparaat ‘treurig’ en ‘afschuwelijk’.58 Hiertegen bestond geen tovermiddel, maar slechts een geduldige strijd voor werkelijke arbeidersdemocratie door de integratie van meer arbeiders in het staatsapparaat.

‘Daarvoor is het nodig, dat de beste elementen die in onze maatschappelijke orde aanwezig zijn – namelijk ten eerste de meest vooruitstrevende arbeiders en ten tweede de werkelijk beschaafde elementen, voor welke men kan instaan dat zij geen woord zonder meer te goeder trouw aannemen en geen woord tegen hun geweten in zullen zeggen – voor geen enkele moeilijkheid uit de weg gaan of terugschrikken voor de strijd om het doel te bereiken, dat zij zich ernstig gesteld hebben.’59

De eerlijkheid en kritische geest van Lenin staan in schril contrast met de gemakzucht en de arrogantie die de Russische staat onder Stalin en zijn opvolgers zou kenmerken.

Lenin werd gedwongen na te denken over zijn opvolging. Hij schreef een kort stukje, waarin hij de kwaliteiten van andere leidende Bolsjewieken analyseerde. Hij leverde kritiek op hen allemaal, maar Stalin kreeg de hardste kritiek. Lenin bepleitte de verwijdering van Stalin als secretaris-generaal van de partij.60

In de tweede helft van 1922 werd Lenin getroffen door een aantal beroertes. Tegen 1923 kon hij niet langer deelnemen aan de debatten in de partij die hij zelf grotendeels had opgebouwd. Toen hij in 1924 stierf, werd zijn lichaam gebalsemd en Lenin in een soort heilige getransformeerd. Dit zou Lenin zwaar tegen hebben gestaan. Zijn weduwe Kroepskaja, die lange tijd zij aan zij met Lenin had gevochten in de strijd, sprak zich ook uit tegen een dergelijk eerbetoon:

‘Richt geen monumenten voor hem op… Hier hechtte hij zelf toch zo weinig waarde aan… Als je Vladimir Iljitsj wilt eren, bouw dan kinderdagverblijven, kleuterscholen, huizen, bibliotheken, ziekenhuizen, verzorgingshuizen, enzovoort, enzovoort. Maar bovenal, laten we zijn ideeën in de praktijk brengen.’61

18. Leidde Lenin tot Stalin?

Veel academici, politici en journalisten stellen dat de politiek en de methodes van Lenin direct leidden tot de gruwelen van het Stalin-tijdperk.

Het is een gemakzuchtige manier van analyseren, die veel van de complexiteit van het historische proces buiten beschouwing laat. Het past in dezelfde beschouwing die zegt dat de geschiedenis wordt gemaakt door ‘grote mannen’, en dat we om de geschiedenis te begrijpen alleen maar de psychologie van deze individuen hoeven te doorgronden.

Natuurlijk kun je heel veel ‘bewijzen’ met een paar geselecteerde feiten die uit hun context zijn gerukt.

Victor Serge, die zich gedurende de burgeroorlog bij de Bolsjewieken aansloot en later slachtoffer werd van Stalin, vatte de gevaren van een dergelijke benadering als volgt samen: ‘Er wordt vaak gezegd dat de kiemen van het stalinisme al van meet af aan in het bolsjewisme zaten. Hier heb ik geen bezwaar tegen. Het bolsjewisme bevatte echter veel meer kiemen, een massa andere kiemen, en diegenen die zich de eerste jaren en het enthousiasme van de eerste succesvolle socialistische revolutie kunnen herinneren, zouden dit niet mogen vergeten.’62

Lenins totale strategie was gebaseerd op de verwachting dat de revolutie zich spoedig zou verspreiden over de rest van Europa en de wereld. Maar de revolutie bleef geïsoleerd en kon niet, zoals Lenin altijd al had gezegd, met dwang worden verspreid. De isolatie van de Russische Revolutie is de fundamentele oorzaak van wat er misging in de Sovjet-Unie. Rosa Luxemburg, die vaak erg kritisch stond tegenover Lenin, schreef: ‘De Russen zullen zich niet kunnen handhaven in deze heksenketel omdat de sociaal-democratie in het ontwikkelde Westen bestaat uit miserabele angsthazen die graag de andere kant opkijken, terwijl de Russen doodbloeden.’63

De werkelijke schuld ligt bij westerse leiders als Winston Churchill, die aanvallen lieten uitvoeren op de jonge arbeidersstaat en bij de leiders van de arbeidersklasse die ofwel halfslachtig ofwel helemaal niet in staat waren de Russische Revolutie te ondersteunen.

Natuurlijk is het onmogelijk te voorspellen wat Lenin gedaan zou hebben als hij nog had geleefd na 1924, maar we kunnen wel met enige zekerheid zeggen wat hij niet zou hebben gedaan.

Stalins oplossing was ‘socialisme in één land’. Het resultaat hiervan was dat Stalin revolutionaire bewegingen wereldwijd actief afremde in plaats van stimuleerde. De Communistische Internationale die tijdens Lenins leven een actieve organisatie was waarin strategieën en ideeën volop werden bediscussieerd, werd onder Stalin een bureaucratisch, van bovenaf geleid apparaat, waar iedereen dezelfde lijn volgde. In China kregen de communisten in 1927 van Stalin het advies om zich over te geven aan Chiang Kai-Shek, die hen vervolgens gebruikte en vermoordde. Communisten werd verteld dat sociaal-democraten net zo erg waren als fascisten, zodat een verenigde oppositie tegen Hitler onmogelijk was. In de Spaanse Burgeroorlog gebruikten communisten hun wapens tegen arbeiders, die de oorlog wilden ombuigen in een revolutie.

Stalin had besloten dat Rusland op eigen houtje zou moeten industrialiseren. Hij achtte het noodzakelijk dat Rusland de achterstand op het Westen in korte tijd zou inhalen: ‘Wij liggen vijftig of honderd jaar achter bij de ontwikkelde landen. Wij moeten deze achterstand in tien jaar goedmaken, of dit lukt ons, of ze zullen ons vernietigen.’64

De industrialisatie van Groot-Brittannië in de negentiende eeuw was bruut genoeg. Het proces duurde in Rusland korter en hierdoor was de prijs ook stukken hoger.

Wat de meeste critici van Stalin niet willen onderkennen, is dat het systeem dat het lijden veroorzaakte, in essentie hetzelfde was. Ondanks staatseigendom van bedrijven bleven kapitalistische wetten de Russische economie voortdrijven.

Veel van de revolutionaire successen gingen verloren. Onafhankelijke vakbonden en het stakingsrecht verdwenen, terwijl salarissen laag werden gehouden. Abortus en homoseksualiteit werden weer misdaden. Artistieke innovatie en initiatieven werden vervangen door de kleurloze, conservatieve doctrine van het ‘socialistisch realisme’. Stalins meedogenloze beleid van gedwongen collectivisatie stond lijnrecht tegenover de positie van Lenin. Lenin had altijd gestreefd naar een bondgenootschap met de boeren.

Een nieuwe klasse van bureaucraten met hun eigen belangen kwam op. De Communistische Partij, die altijd had bestaan uit de meest toegewijde activisten (tot 1929 verdienden partijleden net zoveel als een geschoolde arbeider, onafhankelijk van de positie binnen de partij), ontwikkelde zich nu tot een organisatie waarin de elite haar eigen belang kon nastreven onder de vleugels van Stalin.

Lenin wordt er vaak van beschuldigd de eenpartijstaat te hebben ingevoerd. De Bolsjewieken hadden echter weinig keuze. Na de succesvolle revolutie kwamen de Mensjewieken en de Sociaal-Revolutionairen met het voorstel om samen een regering te vormen, met als voorwaarde dat Lenin en Trotski zouden worden uitgesloten. Het is duidelijk dat dit niet te accepteren was. De Sociaal-Revolutionairen grepen toen naar geweld om het nieuwe regime aan te vallen. In augustus 1918 pleegde een Sociaal-Revolutionair een aanslag op Lenin.

Lenin was vaak hard voor zijn tegenstanders. Hij discussieerde echter over ideeën en politiek – hij beschuldigde ze nooit en te nimmer van misdaden die zij niet hadden begaan. In 1921 stelden de Bolsjewieken een verbod in op de vorming van facties binnen de partij, maar Lenin benadrukte dat ‘we de leden van de partij niet het recht kunnen ontzeggen om op fundamentele zaken kritiek te leveren’.65 In de zuiveringen en schijnprocessen van de jaren dertig werden de tegenstanders van Stalin vals beschuldigd van de meest belachelijke zaken, zoals het samenwerken met de nazi’s.

Er was wel degelijk sprake van repressie tijdens de burgeroorlog, maar die staat in geen enkele verhouding tot de barbaarsheid van Stalins regime. Victor Serge wist waar hij het over had toen hij zei: ‘De politiestaat van Stalin heeft zowel in theorie als in praktijk niets te maken met de maatregelen die gedurende de eerste jaren van de strijd van kracht waren.’66

Om zijn macht te kunnen consolideren vond Stalin het nodig om Lenins meest trouwe medewerkers, Zinovjev, Kamenev, Radek en Boecharin om te brengen. Stalins agenten jaagden over de hele wereld op Trotski en vermoordden hem uiteindelijk in Mexico. Duizenden ‘gewone’ Bolsjewieken ondergingen hetzelfde lot.

In 1944 onderhandelde Stalin met Winston Churchill, die in 1918 Rusland nog was binnengevallen. De twee verdeelden Europa in ‘invloedssferen’ en bepaalden hiermee het lot van miljoenen mensen, zonder dat die daar enige invloed op hadden. Churchill was geen domme man, hij wist wie zijn werkelijke vijanden waren.

Stalins meest vasthoudende tegenstanders waren diegenen die zich de laatste jaren van Lenin nog wisten te herinneren en die hun idealen en waarden met Lenin hadden gedeeld. Het bekendste voorbeeld is natuurlijk Lev Trotski en zijn kleine groep volgelingen, maar ook moedige schrijvers als Victor Serge en Alfred Rosmer. Zij legden de basis voor een authentieke socialistische beweging die uit de schaduwen kon treden op het moment dat het stalinisme van zijn voetstuk viel.

19. Leninisme nu

Eenheid en helderheid waren voor Lenin van het allerhoogste belang. Zonder een zo breed mogelijke eenheid van werkende mensen is het onmogelijk de wereld te veranderen. Dat is ook onmogelijk zonder een helder idee van hoe de maatschappij is georganiseerd. De twee principes lijken elkaar tegen te spreken, vandaar de schijnbare ongerijmdheden in Lenins geschriften. Eenheid zonder helderheid betekent dat revolutionairen meegesleept worden in de massabeweging, zonder dat ze daar invloed op kunnen uitoefenen. Helderheid zonder eenheid isoleert revolutionairen tot eilandjes van interne discussie, van waaruit ook geen invloed op de beweging kan worden uitgeoefend.

Er is veel veranderd sinds 1917. Lenin pleitte er altijd voor om iedere situatie in haar context te analyseren. Drie hoofdthema’s die Lenins werk karakteriseren zijn vandaag de dag nog altijd van belang.

De onafhankelijkheid van de arbeidersklasse. Onze wereld is nog steeds gebaseerd op uitbuitingsrelaties. Diegenen die worden uitgebuit zullen in opstand komen en de wereld kunnen veranderen. We geloven niet dat een John Kerry of een Wouter Bos in staat zal zijn werkelijke veranderingen af te dwingen. De arbeidersklasse heeft zijn eigen politiek en organisatie nodig.

We kunnen niet de instituties van de staat, zoals het parlement of de gemeenteraden, overnemen (hoewel we ze kunnen gebruiken als podium). De ‘oorlog tegen het terrorisme’ dient als rechtvaardiging voor het gebruik van gewapende macht in het buitenland en een aantasting van persoonlijke vrijheden in het binnenland. Dat laat zien dat het staatsapparaat een wapen is tegen de belangen van werkende mensen.

De andere kant heeft meer middelen en is beter georganiseerd. Wij moeten ons ook organiseren. We hebben een gecentraliseerde organisatie nodig, omdat de vijand ook gecentraliseerd is. Maar deze organisatie moet ook democratisch zijn, gebouwd op de ervaringen die in de strijd worden opgedaan.

De details in de vorm van organiseren moeten constant worden aangepast aan veranderende omstandigheden. Maar de onmisbaarheid van een revolutionaire organisatie is vandaag de dag net zo duidelijk als in 1902.

Noten

Deze brochure is voor het eerst uitgegeven in 2005 onder de titel A rebel’s guide to Lenin. De Nederlandse uitgave volgde in datzelfde jaar. Vertaling door Bram Wanrooij.

Veel van Lenins belangrijkste werken en artikelen zijn uitgegeven in het Nederlands. De beste vertalingen zijn die in de uitgaven van Pegasus. Daarnaast verspreidde Moskou voor 1991 goedkope edities van Lenins geschriften via uitgeverij Progres. De Nederlandse vertalingen die uit Moskou afkomstig zijn, zijn vaak wat stroever. Zowel de uitgaven van Pegasus als die van Progres zijn makkelijk tweedehands verkrijgbaar.

lan Birchall citeert uit de Engelse editie van de meest complete uitgave van Lenins werken, de Collected Works (Moskou, 1960 en later). Waar mogelijk hebben we de citaten die lan Birchall gebruikt omgezet naar Nederlandse vertalingen. Naast vertalingen van afzonderlijke werkjes hebben we ook gebruikgemaakt van de meest gangbare selectie van Lenins geschriften in het Nederlands, het driedelige Lenin, Keuze uit zijn werken (Moskou 1972-1975). De oudere twaalfdelige selectie van Lenins geschriften, die verschenen is bij Pegasus, is veel moeilijker verkrijgbaar. Bovendien verscheen deze editie nog tijdens Stalins leven, en dit kleurt de selectie van artikelen en de voetnoten nog meer dan in latere uitgaven.

Een deel van de voetnoten verwijst naar artikelen van Lenin die niet vertaald zijn in het Nederlands. In deze gevallen hebben we de citaten vertaald uit het Engels, en verwijzen we naar de uitgave van de Collected Works die Birchall zelf ook gebruikt heeft. Voor mensen die goed Engels lezen is deze editie van de Collected Works de beste bron voor Lenins geschriften, vooral omdat hij vrijwel volledig op internet te vinden is. Het beste internetarchief voor marxistische teksten (www.marxists.org) heeft de Collected Works inmiddels op een klein aantal delen na online beschikbaar gemaakt.

1. Amis, Koba the Dread, Londen 2002, 248.

2. Lenin, ‘The development of capitalism in Russia’, Collected Works 3, 382.

3. Lenin, ‘On strikes’, Collected Works 4, 315.

4. Lenin, Wat te doen? Brandende kwesties van onze beweging, Amsterdam 1972, 51.

5. Lenin, Wat te doen, 93.

6. Lenin, Wat te doen, 53.

7. Lenin, Wat te doen, 203.

8. Lenin, Wat te doen, 126.

9. Lenin, ‘A letter to A.A.Bogdanov and S.I.Gusev’, Collected Works 8, 146.

10. Lenin, ‘Our tasks and the Soviet of workers’ deputies’, Collected Works 10, 23.

11. Lenin, ‘The victory of the Cadets and the tasks of the workers’ party’, Collected Works 10, 234.

12. Lenin en Gorki, Brieven, herinneringen, documenten, Moskou 1978, 310.

13. A.Y. Badayev, Bolsheviks in the Tsarist Duma, Londen 1987, 184.

14. Lenin, ‘Conspectus of Hegel’s book “Lectures on the history of philosophy”’, Collected Works 38, 284.

15. Lenin, ‘Een eerste stap’, Keuze uit zijn werken 2, 226.

16. Lenin, ‘De oorlog en de Russische sociaal-democratie’, Tegen het revisionisme, in verdediging van het marxisme, Moskou 1972, 98.

17. Lenin, Het imperialisme als hoogste stadium van het kapitalisme. Een populaire verhandeling, Amsterdam 1978, 93.

18. Lenin, Het imperialisme als hoogste stadium, 144.

19. Lenin, ‘Een voordracht over de revolutie van 1905’, Keuze uit zijn werken 2, 405.

20. V Serge, Year One of the Russian Revolution, Londen 1992, 57-58.

21. Lenin, ‘De taken van het proletariaat in onze revolutie’, Keuze uit zijn werken 2, 413.

22. Lenin, ‘De taken van het proletariaat’, 416.

23. Lenin, ‘Staat en revolutie’, Keuze uit zijn werken 2, 470.

24. Lenin, ‘Staat en revolutie’, 471.

25. Karl Marx en Friedrich Engels, Het Communistisch Manifest, Amsterdam 1972, 43.

26. Lenin, ‘Staat en revolutie’, 502.

27. Lenin, ‘Staat en revolutie’, 495.

28. Lenin, ‘Staat en revolutie’, 470.

29. Lenin, ‘Staat en revolutie’, 478.

30. Lenin, ‘Staat en revolutie’, 476.

31. Lenin, ‘Staat en revolutie’, 542.

32. Lenin, ‘Staat en revolutie’, 564.

33. Lenin, ‘Can the Bolsheviks retain State Power?’, Collected Works 26, 140.

34. Lenin, ‘The crisis has matured’, Collected Works 26, 74-82.

35. Lenin, ‘Rede over de taken van de Sowjet-macht’, Keuze uit zijn werken 3, 47.

36. I. Deutscher, The Prophet Armed, Londen 1970, 325.

37. Lenin, ‘How to organise competition?’, Collected Works 26, 409.

38. Lenin, ‘Report on the economie condition of Petrograd workers and the tasks of the working class’, Collected Works 26, 365.

39. Lenin, ‘Successen en moeilijkheden van de Sowjet-macht’, Keuze uit zijn werken 3, 199.

40. Tony Cliff, Lenin, deel III, Londen 1978, I 19-120.

41. M. Gilbert, Winston S. Churchill, deel IV, Londen 1975, 226-227.

42. V. Serge, Memoirs of a revolutionary, Londen 1963, 92.

43. S. Courtois en anderen, The Black Book of Communism, Londen en Cambridge 1999, 72.

44. W.P. and Z.K. Coates, Armed Intervention in Russia 1918-1922, Londen 1935, 209.

45. Lenin, To V.D. Bonch-Bruyevich’, Collected Works 35, 333.

46. Lenin, ‘To the library of the Rumyantsev museum’, Collected Works 35, 454.

47. Lenin, ‘Om brood en vrede’, Keuze uit zijn werken 3, 54.

48. Lenin, ‘Redevoering over de rol van de communistische partij’, Keuze uit zijn werken 3, 429.

49. Lenin, De ‘linkse stroming’, een kinderziekte van het communisme, Amsterdam 1972, 51.

50. Lenin, ‘Speech on affiliation to the British Labour Party’, Collected Works 31, 262-263.

51. Lenin, De ‘linkse stroming’, 46-47.

52. Lenin, De’linkse stroming’, 44-45.

53. A. Rosmer, Lenin’s Moscow, Londen 1987, 53.

54. Lenin, ‘Vijf jaren Russische revolutie en de perspectieven van de wereldrevolutie’, Keuze uit zijn werken 3, 485.

55. Lenin, ‘Speech delivered at the All-Russia Congress of Transport Workers’, Collected Works 32, 279.

56. V Serge, Memoirs of a Revolutionary, Londen 1963, 147.

57. Lenin, Redevoeringen op partijcongressen (1918-1922), Moskou 1975, 285.

58. Lenin, ‘Liever minder, maar beter’, Keuze uit zijn werken 3, 486.

59. Lenin, ‘Liever minder, maar beter’, 488.

60. Lenin, ‘Last testament’, Collected Works 36, 594-596.

61. Pravda, 30 januari 1924.

62. New International, februari 1939.

63. Brief aan Luise Kautsky, 25 november 1917.

64. Isaac Deutscher, Stalin. Een politieke biografie II (1925-1946), Hilversum 1963, 32.

65. Lenin, ‘Tenth Congress of the RCP(b)’, Collected Works 32, 261.

66. V Serge, Russia TwentyYears After, New Jersey 1996, 93.