Kern en periferie in de Eurozonecrisis

De Europese regeringen, het gros van de media en de economen praten over de economische crisis in Griekenland, Spanje, Portugal, Italië en Ierland die gepaard gaan met enorme overheidsschulden alsof ze op zichzelf staan. Corruptie, luiheid en belastingontduiking worden als de belangrijkste oorzaken aangevoerd. Ze verzwijgen echter dat wat in deze landen gebeurt onderdeel is van de economische crisis die in augustus 2008 in de VS uitbrak en snel oversloeg naar andere delen van de wereld, inclusief de EU. Die vatbaarheid was geen toeval, maar een uiting van de gemeenschappelijke onderliggende problemen van het mondiale kapitalisme, zoals dit artikel zal aantonen.
28 juli 2012

De economische crisis heeft veel landen in de problemen gebracht. Staten hebben veel geld gepompt in de financiële sector, waardoor staatsschulden enorm zijn opgelopen. Door de recessie zijn overheidsinkomsten gedaald, maar de uitgaven dalen vaak niet mee. Sommige staten komen financieel in de problemen en speculanten gokken op het faillissement van deze staten waardoor het faillissement steeds dichterbij komt. Rentes op staatsobligaties stijgen dan fors, zoals bij Griekenland gebeurde. De zojuist door de staat geredde financiële sector legt vervolgens staten en bevolkingen op de pijnbank. Regeringen besluiten tot draconische bezuinigingen. Dit gaat gepaard met veel sociale strijd en politieke instabiliteit.

Deze politieke crisis is om verschillende redenen groter in de EU dan in de VS. Veruit de belangrijkste reden hiervoor is dat de VS één federale overheid heeft. De politieke crisis is daar beperkt gebleven tot een ruzie tussen Obama en de Republikeinen over het staatsschuldplafond. In de EU is de economische crisis omgeslagen in een crisis van de Eurozone: een door politici en journalisten openlijk gevoerde discussie over het bestaansrecht en de institutionele vorm van de Eurozone.

De EU heeft zichzelf ontmaskerd als een klassenproject door de rekening van de economische crisis bij de arbeidersklasse neer te leggen. Dit is het klassenkarakter van de bezuinigingen die ook zichtbaar is in de economische werking van de monetaire unie. Sterker nog, de Economische en Monetaire Unie (EMU) stimuleren het voeren van een neoliberale politiek.

De EMU: het korset van het Europese kapitaal

De EMU en de euro zijn geen doelen op zich, maar worden officieel gezien als instrumenten om de fundamentele doelen zoals deze geformuleerd zijn in het verdrag van de EU te behalen: harmonieuze, gebalanceerde en evenwichtige ontwikkeling (Art.2, EG Verdrag). Bovendien zouden deze doelen behaald moeten worden door een stabiel prijsbeleid en een bijpassend monetair en begrotingsbeleid in de context van een vrije markteconomie (Art.4, EG Verdrag).1 Helaas is de wereld waarin wij leven alles behalve harmonieus en zijn de effecten van de EMU en de invoering van de euro tegenstrijdig met elkaar. Laten we eerst kijken waarom de EMU in het belang van het Europese bedrijfsleven is. Het deel erna zal ingaan op de dynamiek tussen kern en periferie binnen de EU.

Plannen voor de introductie van een monetaire unie en de invoering van één munt in de Europese Unie gaan terug tot 1962. De eerste echte serieuze poging volgde in 1979 als antwoord op de toegenomen speculatie op wisselkoersen na het ineenstorten van Bretton Woods begin jaren ’70, toen er een einde kwam aan het systeem van vaste wisselkoersen met de dollar en de koppeling van de dollar aan goud. Die eerste poging kreeg de naam Europees Monetair Stelsel (EMS) en leidde tot een wisselkoerssysteem gebaseerd op de ecu (de virtuele voorloper van de euro) en samenwerking op monetair gebied. Samenwerking op economisch en fiscaal gebied (begrotingspolitiek) kwam niet van de grond.2

Sterker nog, terwijl de Amerikaanse economische en politieke elite in de jaren ’80 inzette op een grondige herstructurering van de economie, een stijging van de uitbuitingsgraad3 en een agressief buitenlandsbeleid onder aanvoering van Volcker (president van de Federal Reserve) en president Ronald Reagan4, werd er in Europa op verschillende wijzen gereageerd op de lage winstvoet. Sommige landen voerden een soortgelijk neoliberaal anti-inflatiebeleid zonder het polderen op te geven (Nederland en Duitsland), andere landen kozen voor een meer Keynesiaans begrotingsbeleid (Italië en Frankrijk), waarbij door vergroting van de overheidsuitgaven de economie een impuls gegeven zou moeten worden. De Franse poging was een vergeefse en daarmee voorlopig ook laatste poging om op nationaal niveau een meer Keynesiaans beleid te voeren.5

Het mislukte Keynesiaanse beleid van Mitterand maakte de weg vrij voor een nieuwe periode van verdieping van Europese integratie. De grootste Europese (niet-financiële) multinationals, verenigd in de European Roundtable of Industrialists (ERT), riepen halverwege de jaren ’80 op tot het beëindigen van de ‘euroscleurosis’, een periode van zeer beperkte Europese integratie, en droegen de politieke elite op om haast te maken met verdieping van de Europese integratie in de vorm van de Europese Akte (1986). Dit verdrag bombardeerde de eenwording van de Europese markten tot topprioriteit en bevestigde de noodzaak van een monetaire unie. De Europese Commissie, toen onder leiding van Jacques Delors, ontwierp een concreet stappenplan voor de monetaire unie, dat in 1992 geïntegreerd werd in het Verdrag van Maastricht.6

In een onderzoek onder Europese politici, waarin gevraagd werd om de redenen waarom de Europese landen zich in zo’n korte tijd hadden gecommitteerd aan een monetaire unie en een gemeenschappelijke munt, kwamen de volgende argumenten naar voren: 1) op een systeem van vaste wisselkoersen wordt nog steeds gespeculeerd en dat kan daarmee uiteenvallen (wat ook gebeurde in 1992-3); 2) het was geen grote stap, omdat een onafhankelijk monetair beleid toch al verleden tijd was; 3) Keynesiaanse ideeën en het nut van competitieve devaluaties waren losgelaten; 4) een monetaire unie vergroot de invloed van kleinere landen, want die konden tot dan toe slechts het beleid van de Bundesbank volgen; 5) één munt versterkt de Europese identiteit; 6) de euro zou een rivaal van de dollar kunnen worden; 7) het inbedden van Duitsland na de eenwording.7 Carchedi nuanceert dat laatste punt in één van de belangrijkste marxistische analyses over Europese integratie. Hij stelt dat Duitsland al voorstander was van de monetaire unie nog voordat het IJzeren Gordijn naar beneden viel, omdat Duitsland de economie van de hele Europese Unie nodig heeft in de geopolitieke en economische strijd met de VS.8

Er heerste een consensus binnen de politieke elites en de grote Europese multinationals dat Europese integratie de manier was om een einde te maken aan wisselkoersspeculatie en het bevorderen van de internationale concurrentiepositie van de Europese bedrijven door het creëren van één markt en een monetaire unie. Zowel het EMS als de EMU werken in neoliberale richting. Laten we beginnen met het EMS dat in 1979 werd opgericht en tegenwoordig nog steeds bestaat voor EU-landen die niet behoren tot de Eurozone. Het EMS moest de Europese landen beschermen tegen de ontwrichtende werking van wisselkoersspeculatie en heeft net als de EMU een neoliberale werking, zij het ietwat indirecter via het aanpassingsmechanisme. De wisselkoersen werden aan elkaar gekoppeld, waardoor landen min of meer het monetair beleid van de Bundesbank moesten volgen. Ook konden landen met een begrotingstekort niet meer terugvallen op eenzijdige devaluaties van hun munt. Een devaluatie heeft als voordeel dat bedrijven gemakkelijker kunnen exporteren, omdat de producten voor het buitenland goedkoper worden. Ook zal er minder geïmporteerd worden omdat producten uit het buitenland duurder zijn geworden. Zonder de mogelijkheid om te kunnen devalueren is het enige beleid dat overblijft arbeidsmarktbeleid, waarbij verworven rechten van de arbeidersklasse, waaronder bijvoorbeeld ontslagbescherming en lonen en uitkeringen, overal ter discussie komen te staan.9

Het EMS bestond uit twee onderdelen: het wisselkoersmechanisme en de ecu. De laatste was, zoals hierboven reeds vermeld, een virtuele munt en geen echt geld. Het was een virtueel rekenmiddel voor centrale banken. De Duitse mark bepaalde voor maar liefst 33 procent de waarde van de ecu, waarmee de waarde van de ecu het meest het ritme van de Duitse economie volgde, waardoor de wisselkoers het belang van Duitse multinationals representeerde. Het wisselkoersmechanisme zorgde ervoor dat de nationale munten in een vaste verhouding stonden met de ecu (en daarmee tot de sterke Duitse mark). Eenzijdige devaluatie om economische problemen te verzachten behoorde daarmee niet meer tot de mogelijkheden. De EMU en de invoering van de euro versterkten dit proces op drie manieren: 1) door de invoering van de euro is devaluatie definitief niet meer mogelijk; 2) het de facto volgen van het monetaire beleid van de Bundesbank werd geformaliseerd in het verdrag van de Europese Centrale Bank (ECB) die een stabiel prijsbeleid als enige officiële doelstelling heeft; 3) de koppeling met het Stabiliteitspact, waardoor begrotingstekorten, de staatsschuld en inflatie aan banden werden gelegd. Bij economische problemen was er dan nog maar één oplossing voorhanden: een verhoging van de uitbuitingsgraad om de winstgevendheid van het Europese bedrijfsleven te vergroten.10

Als het korset van de EMU geaccepteerd is dan kunnen politici niets anders meer doen dan ruzie maken over het tempo waarin de “structurele hervormingen” moeten worden ingevoerd. Overal ontstaat druk op de arbeidsvoorwaarden, sociale zekerheid en ontslagbescherming, op lonen en pensioenen. Een verhoging van de uitbuitingsgraad leidt tot een stijging van de gemiddelde winstvoet en is daarmee in het belang van het gehele Europese kapitaal. We zullen zien dat de huidige ‘oplossingen’ van de crisis in het verlengde liggen van dit neoliberale beleid. Voordat we daarmee verder gaan, kijken we eerst naar de structurele tegenstellingen tussen kern en periferie binnen de Eurozone die door de uitbarsting van de economische crisis aan het licht werden gebracht.

Kern en periferie in één machtsblok

Conventionele benaderingen van de Europese Unie onderstrepen het belang van de gemeenschappelijke markt, het vermijden van protectionisme, het tegenhouden van de expansie van de Sovjet-Unie en het belang om Duitsland te integreren in een Europese context. Wat deze benaderingen niet noemen is het eigen protectionisme (van met name de landbouw ten opzichte van de Derde Wereld), het inperken van de macht van de arbeidersklasse en de eigen ambitie van de Europese landen – Frankrijk en Duitsland in het bijzonder – om geopolitieke en economische macht uit te breiden.11 Carchedi ziet Europese integratie bepaald en beperkt worden door Europese multinationals, onder aanvoering van Duitse multinationals. Dit heeft geresulteerd in een economisch machtsblok dat de kenmerken van het imperialisme in zich heeft gereproduceerd. De EMU weerspiegelt deze machtsverhoudingen. De focus op prijsstabiliteit leidt ertoe dat er een munt is gelanceerd die het potentieel in zich draagt om een internationale reservemunt te worden. Dat betekent dat er seigniorage-inkomsten zijn, dat wil zeggen: de internationale toe-eigening van waarde door het leveren van een wereldmunt, tot dan toe een privilege van de dollar. 12

Ook al treedt de Europese Unie steeds meer op als machtsblok ten opzichte van de rest van de wereld, intern zijn er ongelijke verhoudingen. De verschillen in concurrentiekracht van het kapitaal tussen landen is groot. Zoals hierboven is aangegeven heeft de EMU ertoe geleid dat landen in de periferie niet meer kunnen devalueren. Duitsland herbergt het grootste aantal technologische voortrekkers en dat betekent dat zij meerwaarde onttrekken aan technologische achterblijvers, zowel binnen als buiten de sector. Duitse oligopolies onttrekken dus op deze manier waarde aan de periferie. Een proces dat ongelijke ruil wordt genoemd, waarbij de technologische voortrekkers meer waarde realiseren en de achterblijvers minder waarde realiseren dan zij hebben geproduceerd.

De periferie heeft ermee ingestemd omdat de EMU zou leiden tot een verzwakking van de macht van de arbeidersklasse, een verhoging van de uitbuitingsgraad en concurrentiekracht van het eigen kapitaal op de langere termijn. Ook zouden de landen meedelen in de seigniorage-inkomsten, er zou een einde komen aan het destabiliserende effect van wisselkoersspeculatie en de politici konden zich bij kritiek op de impopulaire maatregelen ook nog eens verschuilen achter Brussel. Hierboven is bovendien gebleken dat er van een eigen monetair beleid in de praktijk toch al geen sprake meer was, omdat de kleinere economieën hun monetair beleid afstemden op de Bundesbank om de vaste wisselkoers te kunnen garanderen. Een laatste voordeel was de toegenomen kredietwaardigheid van de periferie die door deelname aan de Eurozone veel goedkoper geld kon lenen, omdat deze landen in één klap de kredietwaardigheid kregen van Duitsland.

Een Grieks-Duits drama: tekort en overschot in één acte

De betere concurrentiepositie van de bedrijven uit de kernlanden heeft binnen de EU geleid tot betalingsbalansproblemen voor de periferie. De periferielanden hebben tekorten gekregen op de handelsbalans die zij hebben moeten dichten met het lenen van geld uit het buitenland, met name van banken uit de kernlanden. Het schoolvoorbeeld van dit mechanisme is de verhouding tussen Griekenland en Duitsland. Veruit het beste werk dat hierover is geschreven komt van een netwerk van politieke economen dat zich verenigd heeft in Research on Money and Finance (RMF). Dit netwerk heeft intussen in verschillende samenstellingen drie rapporten uitgebracht over de crisis, financialisering en kern-periferie verhoudingen in de EU, en de Eurozone in het bijzonder. Op basis van hun eerste rapport13 concludeert Christakis Georgiou dat Duitsland zijn tekort op de handelsbalans wist om te buigen in een overschot als gevolg van arbeidsmarktbeleid, dat bestond uit flexibilisering van de arbeidsmarkt via de Schröder Agenda 2010. Hierdoor stagneerden de loonkosten per product een decennium lang terwijl deze met name in de periferie flink stegen, ondanks de daar sterker gestegen arbeidsproductiviteit. Daardoor verbeterde de concurrentiepositie van het Duitse bedrijfsleven en kon Duitsland gemakkelijker exporteren ten koste van andere Europese landen. Het lijkt overdreven om de Schröder Agenda hier geheel voor verantwoordelijk te houden. Een andere oorzaak zou gelegen zijn in de structurele druk op de arbeidsvoorwaarden in Duitsland door de hoge werkloosheid in Oost-Duitsland. Dit punt van kritiek doet echter niets af aan het feit dat de concurrentiepositie van de Duitse bedrijven verbeterd is door de lagere loonkosten per product.14 De overschotten van Duitsland vielen samen met de tekorten van met name Zuid-Europa. De overschotten van Duitsland werden weer uitgeleend aan de rest van Europa, zodat de rest van Europa de Duitse producten kon blijven kopen.15 Zolang kern en periferie in de EU via deze cirkel verbonden waren, leek er niets aan de hand.

In 1994 had Griekenland nog een evenwicht op de lopende rekening. In de aanloop naar de introductie van de euro is er een tekort ontstaan dat vooral na 1999 flink is gegroeid en zelfs op is gelopen tot bijna 15 procent van het BNP in 2007 en 2008.16 Voor Spanje en Portugal gelden dezelfde trends. Deze tekorten zijn gefinancierd met leningen, vooral van banken uit de kernlanden (met name Duitsland en Frankrijk), die eind 2008 tussen 41 procent en 48 procent van de schulden hebben gefinancierd die Griekenland, Spanje en Portugal aan het buitenland hebben. Het is in alle drie de landen vooral de particuliere sector die de schulden heeft gemaakt. Lenen was voor de Zuid-Europese landen een stuk goedkoper geworden, omdat deze landen door de introductie van de euro net zo kredietwaardig waren geworden als Duitsland en de ECB de rente laag hield. De banken doken op de periferie en zij hebben de risico’s volledig verkeerd ingeschat en zichzelf te rijk gerekend. Overheden dachten de economieën draaiende te houden door het aanwakkeren van de consumptie en door het investeren in onroerend goed op basis van goedkopere kredietverlening. De begrotingstekorten van de overheid waren vooral het resultaat van de wereldwijde recessie en de daardoor afgenomen belastingontvangsten en toegenomen uitgaven om banken overeind te houden.

De Griekse staat had sinds de jaren ‘80 een hogere staatsschuld dan Portugal en Spanje. De bovengenoemde toename van de schuld van de particuliere sector en de toename van de staatsschuld met het intreden van de recessie hebben ertoe geleid dat Griekenland eind 2009 een grote buitenlandse schuld had van 162 procent van het BNP. De staatsschuld vormt iets meer dan de helft van de totale schuld en 70 procent van de schuld aan het buitenland.17 Het is een schuld die totaal onhoudbaar is gebleken. Naast de economische crisis ontstond er door de onhoudbare schuld een acuut probleem voor de Eurozone: hoe gaat de Eurozone om met de structurele verschillen in concurrentiepositie en wie krijgt de schuld als het misgaat? Kortom, welke verantwoordelijkheden hebben de landen met een betalingsbalansoverschot en welke de landen met een betalingsbalanstekort? De kernlanden hebben ingezet op het neerleggen van de rekening bij de landen met de tekorten. Dit is de eerste fase die door ‘Merkozy’ tot stand werd gebracht. In de tweede fase zie je een nuancering van deze positie. Hierin speelt Frankrijk een sleutelrol.

Merkozy en de bezuinigingspolitiek

Voordat er een Europese antwoord op de crisis geformuleerd werd, vonden de eerste reddingsoperaties plaats op nationaal niveau. Terwijl journalisten het ene rampscenario na het andere publiceerden en de uitvaart van de Eurozone al hadden geregeld, werd er met name door de kernlanden van de Europese Unie constant crisisoverleg gevoerd. Langzaam zijn de contouren van het Europese crisisbeleid zichtbaar geworden. Het beleid wordt in grote mate bepaald door de kernlanden van de Europese Unie dat bestaat uit Italië, Frankrijk, de Benelux en Duitsland. Aangezien Italië op dit moment zelf in zwaar economisch weer zit en België in een permanente politieke crisis verkeert, wordt de toekomst van de Eurozone in belangrijke mate bepaald door Duitsland, Frankrijk en Nederland.

De invloed van Duitsland binnen de Eurozone wordt steeds groter. Dit is zowel op politiek als economisch niveau merkbaar. Op economisch vlak is de Angelsaksische dominantie binnen de netwerken van de multinationals (gedeelde commissariaten bij de raden van bestuur van multinationals e.d.) afgenomen ten gunste van Duitse topondernemers. Zij behoren vaker tot de ‘spinnen in het web’, schakels die diverse bedrijven verbinden, en kunnen daardoor steeds vaker strategische besluiten communiceren en ‘voor Europa spreken’.18 Ook op politiek gebied zien we dat veel belangrijke posities bekleed worden door mensen uit Duitsland. Duitsland levert de voorzitters van de Griekenland Taskforce, de Europese Investeringsbank, de Europese Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling, de Europese Financiële Stabilitieits Faciliteit en binnenkort wordt waarschijnlijk Wolfgang Schäuble voorzitter van de Eurogroep, een van de invloedrijkste overlegorganen binnen de Eurozone waarvan de huidige voorzitter Jean-Claude Juncker is.19

Het beleid dat door de kern onder leiding van Duitsland is uitgestippeld bestaat uit het verlenen van financiële hulp aan de Zuid-Europese landen in ruil voor invloed op hun begrotingsbeleid. Er zijn noodfondsen gecreëerd en er is een begrotingsverdrag gesloten. Laten we beginnen met de noodfondsen. Voor de financiële reddingsoperaties zijn twee instanties in het leven geroepen. De toegenomen invloed van Duitsland komt tot uitdrukking in het feit dat het 30 procent van de European Financial Stability Facility (EFSF) en 27 procent van het ingelegde kapitaal heeft geleverd en 620 miljard euro aan garanties heeft toegezegd in het nieuwe Europese Stabiliteits Mechanisme (ESM).20 Waarschijnlijk worden beide fondsen in de toekomst samengevoegd. Twee Zuid-Europese regeringen (in Griekenland de regering onder leiding van Papandreou en in Italië de regering onder leiding van Berlusconi) moesten (zonder verkiezingen) vervangen worden door ‘technocratische’, dat wil zeggen zogenaamd apolitieke regeringen die de bezuinigingen en hervormingen moesten gaan doorvoeren.21

Duitsland heeft zich ook sterk gemaakt voor het aanscherpen van de begrotingsdiscipline in de Eurozone. De lidstaten beloven in dat geval begrotingsdiscipline te verankeren in de eigen grondwet. Op deze wijze wordt het begrotingsbeleid in de Eurozone meer op elkaar afgestemd, zonder dat er daadwerkelijk overdracht is van soevereiniteit. Deze ‘Europese’ oplossing haalt de wind uit de zeilen van nationalisten, omdat er formeel niet meer kan worden gezegd dat het beleid door Brussel wordt opgelegd. Niet-Eurozonelanden mogen ook meedoen. Engeland en Tsjechië hebben al aangegeven niet mee te zullen doen. Voor de goede orde: zij zijn geen lid van de Eurozone. Deze maatregel is een aanvulling op het “Sixpack” waartoe eind vorig jaar besloten werd. Hierin staat dat de Europese Commissie gemakkelijker sancties mag uitdelen als een land zich niet aan de begrotingsregels houdt als daar een gewone meerderheid van lidstaten achter staat.22

Een derde pijler van de Europese aanpak van de crisis is het beleid van de ECB. Op politiek niveau wordt het begrotingsbeleid nog verder aan banden gelegd en staat Griekenland in ruil voor schuldsanering onder curatele. Voorwaarde van de hulp was de afschrijving van ongeveer 100 miljard euro door de private sector.23 De ECB zorgt ervoor dat het Europese bankwezen goedkoop kan lenen om de balansen op te vijzelen en de banken lenen dit geleende geld vervolgens weer uit aan de Eurozonelanden. De ECB heeft al meerdere keren het eigen mandaat flink opgerekt en heeft eind vorig jaar, met Draghi aan het hoofd, voor een bedrag van 1 triljoen euro aan leningen met een looptijd van 3 jaar in het bankwezen gepompt tegen een extreem lage rente.24 Dit is 80 procent van de totale leningsbehoefte van de hele Eurozone voor 2012. Algemeen werd aangenomen dat hierdoor de paniek voorlopig uit de markt zou zijn, waardoor Duitsland zich zou kunnen concentreren op het geratificeerd krijgen van de verdragen.25 Sindsdien zijn echter ook Spanje en Italië in grote problemen gekomen. Zij betalen dezelfde torenhoge rentes als de Grieken. De premiers van Italië en Spanje vormen sinds het aftreden van Sarkozy echter de belangrijkste bondgenoten van de nieuwe Franse president Hollande. Hij stapt af van de eenzijdige lijn van Sarkozy om samen op te trekken met Merkel en in te zetten op bezuinigingen en controle over het begrotingsbeleid in de periferie.

De periferie slaat terug

Als de voorwaarden voor de reddingsoperaties aan Zuid-Europa vooral bezuinigen betekenen en het begrotingsbeleid aan banden wordt gelegd, dan blijft er voor elk land niets anders over dan structurele hervormingen door te voeren. Deze worden enigszins verzacht door de enorme hoeveelheden geld die de ECB in het systeem pompt. Dit is de bezuinigingspolitiek waar Duitsland, Frankrijk en Nederland de belangrijkste pleitbezorgers van zijn binnen de Eurozone.

Frankrijk en Duitsland hebben lang samen opgetrokken. Sarkozy heeft net zo hard als Merkel geroepen om begrotingsdiscipline, ook al heeft Frankrijk zelf onlangs de Triple A status verloren, is het minder afhankelijk van de export dan Duitsland en is de concurrentiepositie van Franse bedrijven lager. De afgenomen economische en politieke macht van Frankrijk wordt gecompenseerd door een agressiever buitenlandbeleid, zoals de roep om harde sancties tegen Iran26 en het militaire optreden tegen Libië. In Frankrijk zelf werd het begrotingspact onderdeel geworden van de Franse presidentsverkiezingen waarbij de uitdager Hollande beloofde het begrotingspact te wijzigen. Uiteindelijk kan de Franse economie minder bezuinigingspolitiek verdragen dan de Duitse en zal Frankrijk op rem trappen en coalities zoeken in de Eurozone om dat te doen. Verschillende landen hebben inmiddels de noodzaak gevoeld om Duitsland aan te geven dat er wel grenzen zijn: zowel Jan Kees de Jager27 als Mario Monti28 hebben aangeven dat Frankrijk en Duitsland medeschuldig zijn aan de huidige crisis omdat zij zichzelf ook niet aan de begrotingsregels hebben gehouden.

De Eurotop in juni 2012 heeft wat dat betreft boekdelen gesproken. Het Financieele Dagblad repte van een ‘bende van drie’, de premiers Rajoy (Spanje), Monti (Italië) en Hollande (Frankrijk) die het Noorden ‘gijzelen’ om ‘soepelere crisismaatregelen af te dwingen’.29 In ruil voor de acceptatie van de aanscherping van begrotingsregels in het begrotingspact (de eis van Duitsland) komt er (waarschijnlijk vanaf volgend jaar) toch directe bankensteun uit het noodfonds ESM, waardoor de Eurozonelanden in feite gezamenlijk garant komen te staan voor elkaars banken. De landen die een beroep doen op dit fonds hoeven dan niet meer te voldoen aan aanvullende eisen. Het is genoeg om te voldoen aan de reguliere eisen van de Europese Commissie. Uiteindelijk zullen de landen uit de periferie zich achter de Duitse bezuinigingspolitiek scharen in ruil voor wat minder strikte naleving nu, en zij zullen proberen de macht van Duitsland te beperken door Duitsland nog verder in te bedden in de Europese integratie.

Einde van de (Eurozone)crisis nabij?

Tot nu toe heeft de voortdurende crisis niet geresulteerd in het einde van de Eurozone. De kernlanden zijn bereid geweest om, als puntje bij paaltje kwam, de periferielanden te helpen overleven. Maar in dat proces is stapje voor stapje de Europese integratie verder gevorderd, op een manier die de EU nog minder democratisch heeft gemaakt en nog meer in dienst stelt van het Europese kapitaal. Twee ontwikkelingen kunnen de Eurozone echter doen ontsporen. Ten eerste is er het verzet vanuit de bevolking, zoals in Griekenland en in Spanje, waar stakingen en demonstraties de regeringen doen wankelen. Door massaal op de radicaal-linkse partij Syriza te stemmen, lieten de Grieken een keiharde ‘nee’ horen tegen de Europese bezuinigingspolitiek. Ten tweede is het nog maar de vraag hoe lang de kernlanden zoals Duitsland en Nederland zelf uit de gevarenzone kunnen blijven. De huidige crisis is veel fundamenteler dan de meeste politici durven toe te geven; de wortels ervan liggen in de werking van het kapitalisme zelf. We hebben al een dubbele dip achter de rug en de derde recessie ligt in het vooruitzicht. Ondertussen dragen de bezuinigingen zelf bij aan het verdiepen van de crisis. Veel analisten verwachten een economische teruggang van Duitsland in 2013, mede omdat de Chinese economie, die veel Duitse producten importeert, aan het afkoelen is.

In tegenstelling tot liberale visies op de crisis gaat dit artikel uit van een structurele neiging tot crises. Volgens de neoliberalen ligt de oorzaak van de crisis bij het uitlenen van geld aan armere delen van de bevolking, in de VS ‘de luie zwarte bevolking’, in de Eurozone ‘de luie en corrupte Grieken’. Volgens Keynesianen wordt de crisis veroorzaakt door de financiële sector: er was slecht toezicht en er waren perverse prikkels door de bonuscultuur. Als we dit herstellen zou de oorzaak van de crisis worden weggenomen. De Occupy-beweging geeft ook de scheve inkomensverdeling als oorzaak van de crisis aan. Voor marxisten zijn de perverse roofzucht van de financiële sector en de scheve inkomensverdeling onderdeel van een veel fundamenteler probleem van het kapitalisme.

De oorzaken van de crisis liggen in de tegenvallende winstgevendheid in de productieve sector sinds de jaren ’70 van de vorige eeuw. Toen leidde het falen van het Keynesianisme (stimuleren van de vraag) tot de ruimte voor de neoliberalen om het ideologische vacuüm op te vullen. Neoliberalisme kwam op als een politiek project waarbij de organisaties en het inkomen van de arbeidersklasse werden aangevallen om de winstgevendheid van het bedrijfsleven te verhogen door de uitbuitingsgraad te verhogen. Tegelijkertijd heeft de migratie van kapitaal uit de productieve sector naar de financiële sector geleid tot herhaaldelijke speculatieve zeepbellen zoals de dot-com en de huizenmarkt. Een tijd lang konden die financiële zeepbellen de fundamentele problemen verdoezelen en tot tijdelijke groeiperioden leiden. Na het uiteenspatten van de zeepbellen op de huizenmarkt en de financiële markten, lijken we ons op te kunnen gaan maken voor een langere periode van stagnatie die, als het aan de heersende klasse ligt, gepaard zal gaan met een permanente bezuinigingspolitiek.

Terwijl de economische crisis voortduurt, heeft de Eurozone ook te maken met haar specifieke problemen. Binnen de Eurozone zijn de structurele verschillen in concurrentiepositie uitermate hardnekkig en Marx laat ons zien dat zij zich zelf in standhouden door middel van het mechanisme van ongelijke ruil: bedrijven met een technologische voorsprong, die dus productiever zijn, verkopen hun producten tegen een prijs die boven hun waarde ligt en de bedrijven met een technologische achterstand verkopen hun producten tegen een prijs die onder hun waarde ligt. Dit mechanisme werkt overal waar het kapitalisme de dominante manier van produceren is. In de VS zijn er ook regio’s waar vooral bedrijven zitten met verouderde productieprocessen. Deze regio’s krijgen automatisch steun van de rijke staten, zonder dat erover gestemd wordt of dit iedere keer weer ter discussie wordt gesteld. Alleen in de Eurozone leidt dit tot een existentiële crisis, omdat in tegenstelling tot binnen natiestaten er geen ingebouwd mechanisme in de Eurozone is om hiermee om te gaan. Dit mechanisme zou nog gecreëerd moeten worden en dat zien we beetje bij beetje verschijnen: de kwijtschelding van een gedeelte van de schuld van Griekenland en de ontwikkeling naar een bankenunie, waardoor landen automatisch garant gaan staan voor elkaars banken, zonder dat er extra voorwaarden aan nieuwe hulp worden gesteld. Maar het is nog maar de vraag of dit proces door zal zetten zonder dat de Eurozone uit elkaar zal vallen. Het zal in ieder geval onvoldoende zijn om de Eurozonecrisis op te lossen.

Het is in het belang van de kernlanden om de periferie erbij te houden als afzetmarkt, voor investeringsmogelijkheden, voor grondstoffen en voor geopolitieke invloed. De periferie heeft ook niet veel opties. Een onafhankelijk beleid was er ook voor de euro niet. Zodra wisselkoersschommelingen beperkt moeten worden is de periferie gebonden aan het volgen van de kernlanden. Dan kun je er ook maar beter mee aan tafel zitten om nog invloed uit te oefenen en mee te profiteren van seigniorage-inkomsten, lagere rentetarieven en wellicht een toekomstig achterstandsbeleid. De vraag is echter of de tegenstellingen, zowel in de vorm van het verzet van onderaf als in de vorm van de politieke crisis aan de top, ingedamd zullen kunnen worden om het uiteenvallen van de Eurozone te voorkomen.

Één ding is wel zeker, en dat is dat de heersende klassen in Europa de rekening van de crisis bij de gewone bevolking willen neerleggen. De tegenstellingen zijn namelijk niet simpelweg tussen de kern- en periferielanden. In Griekenland bijvoorbeeld, is het juist de rijke toplaag die erin geslaagd is om weinig bij te dragen aan de belasting opbrengsten. Griekenland heeft bijvoorbeeld de grootste vloot ter wereld, die veel winst maakt en de scheepseigenaren betalen nauwelijks belasting en zetten hun geld in het buitenland. In Nederland gebeurt ongeveer hetzelfde, waar multinationals jaarlijks 16 miljard euro aan belastingen ontduiken. De rechtse propaganda draait op volle toeren om iedereen in te prenten dat het geld dat Nederland en andere Europese landen aan Griekenland geven, in de bodemloze put van de ‘luie’ Grieken verdwijnt. In de werkelijkheid komt dat geld natuurlijk niet bij de Griekse arbeiders, werklozen of studenten terecht, maar het geld is bedoeld om de schulden aan de Europese banken af te betalen. Dus dat geld komt via een omweg terecht in de bodemloze zakken van de Europese bankiers. Wat buiten beschouwing blijft, is ook de diepe ellende waarin de Griekse bevolking gestort is. De werkloosheid en de armoede zijn enorm gestegen, evenals het aantal zelfmoorden. Berichten over kinderen die op school flauw vallen omdat ze een lege maag hebben, zijn geen uitzonderingen meer.30

In Griekenland is echter niet alleen het perverse gezicht van de crisis zichtbaar geworden, maar ook de mogelijke alternatieven. In de afgelopen twee jaar hebben Grieken massaal gedemonstreerd en gestaakt. Tijdens de recente verkiezingen lieten ze via een massale stem op Syriza een luide ‘nee’ horen tegen de bezuinigingen. Belangrijker nog, op enkele plaatsen ontstonden in afgelopen jaren voorbeelden waarbij arbeiders de productie in het eigen bedrijf overnamen.

Ook in landen als Italië, Spanje en in steeds grotere mate Nederland vormen de bezuinigingen een regelrechte aanval op de arbeidersklasse. De aanscherping van de begrotingsdiscipline leidt ertoe dat landen de komende jaren nog meer zullen moeten bezuinigen. Bovendien grijpen (sociaal)liberale partijen en werkgevers de crisis aan om de ‘hervormingen’ die ze al op de plank hadden liggen door te drukken. Zo wordt in veel landen de ontslagbescherming uitgekleed, de flexibilisering van de arbeidsmarkt vergroot, de privatisering doorgezet tot in de zorg en het onderwijs, en de pensioenleeftijd verhoogd. Deze maatregelen hebben slechts één doel: de winstmarges van bedrijven en banken te vergroten ten koste van de arbeidersklasse.

De crisis heeft echter twee gezichten: de permanente bezuinigingspolitiek van de regeringen en het verzet van onderaf. Het eerste zal ons terugbrengen naar de situatie waaruit de crisis is ontstaan – de winstzucht van de heersende klassen. Het uitbreiden van het verzet overal in Europa heeft de potentie om een nieuwe toekomst te creëren waarin onze levens meer waard zullen zijn dan de winsten van bankiers, de financiële markten en de directeuren en aandeelhouders van grote bedrijven.

Noten

 

Literatuur

  • Apeldoorn, B. van (2002). Transnational capitalism and the struggle over European integration. London: Routledge.
  • Bieling, H.J. (2003). ‘European employment policy between neo-liberal rationalism and communitarianism,’ in H. Overbeek (ed.), The political economy of European employment. European integration and the transnationalisation of the (un)employment question. London: Routledge.
  • Callinicos, A. (2012). ‘Rumours of crisis, revolution and war’, in International Socialism Journal 134 (Spring 2012). Zie http://www.isj.org.uk/index.php4?id=792&issue=134.
  • Carchedi, G. (2001). For Another Europe. A Class Analysis of European Economic Integration. London: Verso.
  • Georgiou, C. (2010). ‘The euro crisis and the future of European integration,’ in International Socialism Journal 128 (Autumn 2010). Zie http://www.isj.org.uk/index.php4?id=682&issue=128.
  • Lapavitsas, C., A. Kaltenbrunner, D. Lindo, J. Michell, J.P. Painceira, E. Pires, J. Powell, A. Stenfors, N. Teles (2010a). Eurozone crisis: Begger thyself and thy neighbourgh (March 2010). Zie http://researchonmoneyandfinance.org/media/reports/eurocrisis/fullreport.pdf.
  • Lapavitsas, C., A. Kaltenbrunner, G. Lambrinidis, D. Lindo, J. Meadway, J. Michell, J.P. Painceira, E. Pires, J. Powell, A. Stenfors and N. Teles (2010b). ‘The Eurozone between austerity and default’ (September 2010). Zie http://www.researchonmoneyandfinance.org/media/reports/RMF-Eurozone-Austerity-and-Default.pdf.
  • McNally, D. (2011). Global Slump. The economics and politics of crisis and resistance. Oakland: PM Press.
  • Moran, L. (2012). ‘Children abandoned by Greek parents as cuts also sees country run out of medicines,’ in the Daily Mail (16 January 2012). Zie http://www.dailymail.co.uk/news/article-2085163/Children-dumped-streets-Greek-parents-afford-them.html.
  • Pijl, K. van der, O. Holman and O. Raviv (2011). ‘The resurgence of German capital in Europe: EU integration and the restructuring of Atlantic networks of interlocking directorates after 1991’, in Review of International Political Economy 18(3) (August 2011).
  • Scheller, H.K. (2004). ‘The European Central Bank. History, role and functions.’ Zie http://www.ecb.int/pub/pdf/other/ecbhistoryrolefunctions2004en.pdf.
  • Verdun, A. (1999). ‘The logic of giving up national currencies. Lessons from Europe’s Monetary Union,’ in E. Gilbert and E. Helleiner (eds.), Nation-states and money. The past, present and future of national currencies. London: Routledge.