Geplaatst door redactie socialisme.nu, zondag 17 januari 2010, 12:00
De Britse socialist Chris Harman, die onlangs onverwacht overleed, leverde niet alleen een belangrijke bijdrage aan de actualisering van de marxistische economie. Ook als historicus van het kapitalisme toonde hij zich een origineel denker.
Door Pepijn Brandon
Om voordehandliggende redenen hebben marxisten zich altijd bezig gehouden met de ontstaansgeschiedenis van het kapitalisme. Net zoals de bestudering van embryo’s cruciale kennis verschaft over de aard en de evolutie van menselijk leven, is kennis van de voorgeschiedenis van het kapitalisme cruciaal voor het begrijpen van de dynamiek van het systeem in ontwikkelde vorm. Bovendien vormen de vijf eeuwen tussen de late middeleeuwen en de industriële revolutie een rijk laboratorium voor de marxistische geschiedsfilosofie. Het feit dat hier sprake is van een min of meer ‘complete’ overgang van de ene maatschappijvorm naar de andere, maakt het mogelijk om ideeën over de complexe samenhang tussen sociaal-economische processen en verhoudingen, politieke strijd, ideologische verschuivingen en revoluties (‘basis’ en ‘bovenbouw’, in klassiek jargon) te toetsen aan de hand van echte historische gebeurtenissen.
Veel marxisten hebben zich dan ook gewaagd aan dit probleem. Beschouwingen over het ontstaan van het kapitalisme zijn vervlochten door Marx’ eigen werk, niet in het minst de drie delen van Het Kapitaal. Friedrich Engels gebruikte een pauze in de klassenstrijd na het mislukken van de revoluties van 1848 voor het schrijven van een boek over de Duitse Boerenoorlog in de zestiende eeuw. Lenin en Rosa Luxemburg ‘debuteerden’ beiden met doorwrochte studies over het ontstaan van het kapitalisme in hun eigen land – respectievelijk Rusland en Polen. En in de twintigste eeuw leverde ‘de overgang van het feodalisme naar het kapitalisme’ (kortweg de transitie) stof voor een aantal van de vruchtbaarste debatten onder socialistisch georiënteerde historici. Dit debat beïnvloedde de historische wereld ver buiten marxistische kringen.
Harmans bijdrage aan het transitiedebat bleef helaas relatief onbekend. Voor een deel komt dit omdat Harmans praktische activisme en zijn theoretische werk op een groot aantal andere terreinen hem weinig ruimte lieten voor het werk in archieven, laat staan het eindeloos reconstrueren van historische cijferreeksen dat nodig is om toegang te krijgen tot de kaste van sociaal-economische historici. Harman was gedwongen zijn conclusies grotendeels te baseren op secundaire literatuur. Maar van die literatuur bezat hij een encyclopedische kennis waarop de meeste vakspecialisten jaloers zouden zijn. Voor een ander deel speelt mee dat Harman zijn belangrijkste bijdragen op dit terrein schreef op een moment de invloed van marxistische argumenten op zijn zachtst gezegd niet op een hoogtepunt was.
In 1989 publiceerde Harman in International Socialism Journal een eerste overzichtsartikel van 50 pagina’s waarin hij de hoofdlijnen van het transitiedebat schetste. Hierin concentreerde hij zich op wat hij beschouwde als de grote tekortkoming van de twee scholen die sinds de jaren zeventig dit debat beheersten. Aan de ene kant stond de Wallerstein-Sweezy benadering, die de oorsprong van het kapitalisme zocht in de expansie van de handel en de stedelijke economie vanaf de periode rond het jaar 1000. Volgens auteurs binnen deze school begon dit proces al met de groeiende betrekkingen in het Middellandse Zeegebied tussen islamitische en christelijke handelaren, en raakte in een stroomversnelling na de ‘ontdekking’ van Amerika. Aan de andere kant stond de tegenwoordig invloedrijkere Brenner-these, die stelt dat de ontwikkeling van het kapitalisme begon met de ontbinding van feodale verhoudingen op het platteland en de groei van op de markt gerichte agrarische productie. De ontwikkeling van handel, de groei van steden en de grote politieke confrontaties tussen absolutistische vorsten en vaak stedelijke sociale bewegingen speelden daarbij in Brenners benadering slechts zijdelings een rol.
Harman vond de exclusieve nadruk op stedelijke ontwikkelingen of juist het platteland in beide scholen te eenzijdig. In plaats daarvan zocht hij naar een manier om de veranderende klassenverhoudingen op het platteland, de groeiende rol van de steden en handel, de grote ideologische verschuivingen zoals de renaissance en de reformatie, en uiteindelijk de ‘klassieke burgerlijke revoluties’ samen te brengen in een totaalbenadering. Hij vond die in een creatieve herwaardering van Marx’ bekende passage uit de inleiding van de Bijdrage tot de kritiek op de politieke economie over basis en bovenbouw. Hoewel de productie onder het feodalisme zich niet zo dynamisch kon ontwikkelen als onder het kapitalisme met zijn voortdurende concurrentiedruk en accumulatiedrift, benadrukte Harman dat langzame ontwikkeling nog geen stilstand is. De opeenstapeling van kleine veranderingen in het productieproces onder het feodalisme zorgden in de loop van eeuwen voor een totale omvorming van de materiële basis van de maatschappij. De expansie van de productiemogelijkheden, hoe langzaam en ongelijkmatig ook, creëerde op termijn de ruimte voor het ontstaan van eilandjes van marktgerichte agrarische en stedelijke productie, met elkaar verbonden door de groeiende rol van interregionale en internationale handel. De steden, oorspronkelijk een verlengstuk van feodale sociale en politieke verhoudingen, begonnen in sommige gevallen uit te groeien tot centra van oppositie, ideologische vernieuwing en uiteindelijk zelfs revolutie.
Harman ontkende nergens de complexiteit van deze samenhang. De verhouding tussen basis en bovenbouw, tussen de ontwikkeling van productiekrachten en –verhoudingen aan de ene kant en politieke en ideologische verschuivingen aan de andere, was voor hem geen éénrichtingsverkeer. Bovendien was de ontwikkeling van kapitalistische verhoudingen voor hem geen uniek Europees proces. Hij had grote aandacht voor ontwikkelingen binnen vooral de Aziatische voor-kapitalistische economieën in India, Japan en China, waarin vergelijkbare processen als in Europa gaande waren. Zijn indrukwekkende A people’s history of the world (1999) gaat ongeveer voor de helft over de periode voor de industriële revolutie. Hier betoogde hij dat de uiteindelijke Europese overheersing van de wereld niet kwam door de ‘achterlijkheid’ van de niet-Europese productie. Net als Kenneth Pomeranz in zijn baanbrekende boek ‘The Great Divergence’ (2000) ging Harman ervan uit dat de verschillen in productiviteit, vooral tussen Europa en China, tot aan de industriële revolutie niet van doorslaggevend belang waren. Het feit dat kapitalistische ontwikkelingen buiten Europa konden worden afgeremd of zelfs de nek omgedraaid moest volgens hem niet primair in de basis maar juist in de bovenbouw gezocht worden. De rijke en ‘ontwikkelde’ heersende klassen in de niet-Europese samenlevingen, met hun sterke en gecentraliseerde staten, konden de bedreiging voor hun greep op de samenleving die uitging van groeiend kapitalisme relatief makkelijk het hoofd bieden. De onderling oorlog voerende feodale heersers van Europa met hun zwak ontwikkelde staten waren daarentegen gedwongen allerlei compromissen te sluiten met de nieuw opkomende klassen, en boden zo de ruimte voor de nieuwe klassen en productievormen. Niet Europa’s superioriteit, maar Europa’s relatieve achterlijkheid vormde de lanceerbasis voor kapitalistische ontwikkeling, en de uiteindelijke onderwerping van de rest van de wereld.
Harman liet op deze manier zien dat de marxistische theorie niet hoeft te vervallen in economisch determinisme of in eurocentrisme, de belangrijkste twee kritiekpunten uit niet-marxistische hoek. Ook kon hij aansluiten bij nieuwe trends in het onderzoek naar de voor-kapitalistische periode: zowel de ‘herontdekking van de middeleeuwen’ die de afgelopen decennia onder sociaal-economische historici gaande is, als de groeiende aandacht voor ‘wereldgeschiedenis’. Veel van de technologische en sociale veranderingen die vroeger werden gekoppeld aan de periode vanaf de zestiende eeuw blijken oudere wortels te hebben en niet uniek te zijn geweest voor Europa. Harman bouwde gretig voort op dit bewijs. In een artikel uit 2004 herhaalde hij met veel grotere zelfverzekerdheid dan in 1989 de basiselementen van zijn eerdere betoog. Hetzelfde deed hij datzelfde jaar in een direct debat met Robert Brenner, dat hier te beluisteren is.
Met de herdruk van A people’s history door de grote linkse uitgeverij Verso in 2008 kreeg Harmans bijdrage aan het historisch debat eindelijk de bekendheid onder marxisten die ze verdiende. Dat hij zelf niet meer in staat zal zijn om zijn benadering te verfijnen en verder te ontwikkelen is een groot gemis.
Pepijn Brandon is historicus aan de Universiteit van Amsterdam, waar hij werkt aan een proefschrift over oorlog, de staat en kapitaalaccumulatie in Nederland in de zeventiende en achttiende eeuw.
One Solution Revolution! Bestel hier voor maar: los € 2,- / per post € 3,-!
De Socialist van februari is uit! Drie maanden op proef voor maar € 3,-!
socialisme.nu - internationale socialisten - colofon
op de inhoud van deze website is een creative commons-licentie [by-nc-sa] van toepassing. cms: wordpress